De parafiele focus van de fetisjismestoornis is de aanhoudende en herhaalde toepassing of afhankelijkheid van voorwerpen of een zeer specifieke focus op een (per definitie niet-genitaal) lichaamsdeel als primaire trigger voor seksuele opwinding (criterium A). Voor de classificatie fetisjismestoornis moet er tevens sprake zijn van klinisch significante persoonlijke lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere terreinen (criterium B). Veelvoorkomende fetisjobjecten zijn damesondergoed, mannen- of vrouwenschoeisel, rubberen voorwerpen, lederen kleding of andere kledij, of luiers. Extreem geërotiseerde lichaamsdelen bij een fetisjismestoornis kunnen zijn voeten, tenen en haren. Niet zelden is een seksuele fetisj gericht op zowel voorwerpen als lichaamsdelen (bijvoorbeeld vuile sokken en voeten). Om die reden is ‘partialisme’ (exclusieve gerichtheid op een bepaald lichaamsdeel) nu onderdeel van de definitie van de fetisjismestoornis. Partialisme, voorheen in de DSM-IV-TR beschouwd als een ‘parafilie niet anderszins omschreven’, werd van oudsher — vóór de DSM-III — geclassificeerd onder fetisjisme.
Mensen die zichzelf beschouwen als praktiserend fetisjist hoeven daarbij lang niet altijd melding te maken van klinische beperkingen door het bijbehorende gedrag. Zij kunnen worden beschouwd als mensen met een fetisjistische seksuele interesse (dat wil zeggen, terugkerende en intense seksuele opwinding door ofwel het gebruik van voorwerpen of een zeer specifieke focus op een niet-genitaal lichaamsdeel, zich uitend in seksuele fantasieën, drang of handelingen), maar zonder fetisjismestoornis. Voor de classificatie fetisjismestoornis moet tegelijk zijn voldaan aan zowel het gedrag beschreven in criterium A als de klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren zoals beschreven in criterium B.