Behalve de specifieke oorzaken (zoals de ziekte van Alzheimer) van neurocognitieve stoornissen die al in de eerdere criteriasets van dit hoofdstuk zijn genoemd, is er nog een aantal somatische aandoeningen die neurocognitieve stoornissen kunnen veroorzaken. Deze aandoeningen betreffen: structurele laesies (bijvoorbeeld primaire of secundaire hersentumoren; een subduraal hematoom; een langzaam progressieve hydrocefalie of hydrocefalie met normale liquordruk); hypoxie samenhangend met hypoperfusie door hartfalen; endocriene aandoeningen (zoals hypothyreoïdie, hypercalciëmie, hypoglykemie); met voeding samenhangende aandoeningen (zoals thiamine- of niacinedeficiënties); andere infectieuze aandoeningen (zoals neurosyfilis, cryptokokkose); immuunstoornissen (zoals arteriitis temporalis, systemische lupus erythematosus); leverof nierfalen; metabole aandoeningen (bijvoorbeeld de ziekte van Kuf, adrenoleukodystrofie, metachromatische leukodystrofie, andere stapelingsziekten in de volwassenheid en kindertijd); en andere neurologische aandoeningen (zoals epilepsie, multiple sclerose). Uitzonderlijke oorzaken van letsel aan het centrale zenuwstelsel, zoals een elektrische schok of intracraniale straling, blijken meestal uit de anamnese. De temporele relatie tussen het begin of de exacerbatie van de somatische aandoening en het ontstaan van de cognitieve deficiëntie vormen de belangrijkste onderbouwing voor de aanname dat de neurocognitieve stoornis een pathofysiologisch gevolg is van de somatische aandoening. De diagnostische zekerheid over dit verband kan toenemen wanneer de neurocognitieve deficiënties gedeeltelijk verbeteren of stabiliseren als de somatische aandoening behandeld wordt.