De neurocognitieve stoornis heeft meestal een beloop dat overeenkomt met de progressie van de onderliggende somatische aandoening. Wanneer de somatische aandoening behandelbaar is (bijvoorbeeld hypothyreoïdie), is het mogelijk dat de neurocognitieve deficiëntie verbetert of zich in elk geval niet verder ontwikkelt. Wanneer de somatische aandoening een ongunstig beloop heeft (zoals secundaire progressieve multiple sclerose), ontwikkelen de neurocognitieve deficiënties zich overeenkomstig het temporele beloop van de ziekte.