Delirium en uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis Als de angstsymptomen alleen optreden tijdens het beloop van een delirium, is een aparte classificatie angststoornis door een somatische aandoening niet van toepassing. De classificatie angststoornis door een somatische aandoening kan echter wel van toepassing zijn als extra classificatie naast de classificatie uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis indien een fysiologisch gevolg van het pathologische proces dat de neurocognitieve stoornis veroorzaakt, ook wordt beschouwd als de oorzaak van de angst, en de angst bovendien prominent aanwezig is in het klinische beeld.
Gemengd symptomenbeeld (zoals bij stemming en angst) Als het beeld bestaat uit een combinatie van verschillende typen symptomen, hangt de beslissing welke specifieke psychische stoornis het gevolg is van een somatische aandoening af van de vraag welke symptomen in het klinische beeld op de voorgrond staan.
Angststoornis door een middel/medicatie Als er aanwijzingen zijn voor recent of langdurig gebruik van een middel (onder andere geneesmiddelen met psychoactieve effecten), onttrekking van een middel of blootstelling aan een toxine, dient een angststoornis door een middel/medicatie te worden overwogen. Van verschillende geneesmiddelen is bekend dat ze een angstverhogende werking hebben (bijvoorbeeld corticosteroïden, oestrogenen, metoclopramide), en als dit het geval is, kan het geneesmiddel de waarschijnlijkste oorzaak zijn, hoewel het moeilijk kan zijn om te onderscheiden of de angst moet worden toegeschreven aan de medicatie of aan de somatische aandoening zelf. Als het vermoeden bestaat dat de angststoornis wordt veroorzaakt door het gebruik van recreatieve of niet-voorgeschreven middelen, kan het nuttig zijn om urine- of bloedonderzoek te doen naar de aanwezigheid van drugs, of om ander laboratoriumonderzoek te doen. Vooral symptomen die zich tijdens of kort na intoxicatie door of onttrekking van een middel of na het gebruik van medicatie ontwikkelen, kunnen wijzen op de aanwezigheid van een angststoornis door een middel/medicatie, afhankelijk van het type middel, de hoeveelheid die is gebruikt en de duur van het gebruik. Als de symptomen gepaard gaan met zowel een somatische aandoening als het gebruik van een middel, kunnen beide classificaties (angststoornis door een somatische aandoening en angststoornis door een middel/medicatie) van toepassing zijn. Kenmerken zoals een beginleeftijd ouder dan 45 jaar of de aanwezigheid van atypische symptomen tijdens een paniekaanval (zoals duizeligheid, bewustzijnsverlies, verlies van controle over de blaas of darmen, dysartrie, amnesie) wijzen op de mogelijkheid dat een somatische aandoening of een middel de panieksymptomen veroorzaakt.
Angststoornis (niet door een somatische aandoening) De angststoornis door een somatische aandoening dient te worden onderscheiden van andere angststoornissen (vooral de paniekstoornis en de gegeneraliseerde-angststoornis). Bij andere angststoornissen kunnen geen specifieke causale fysiologische mechanismen bij een somatische aandoening worden aangetoond. Een late beginleeftijd, atypische symptomen en het ontbreken van een persoonlijke of familiegeschiedenis van angststoornissen zijn aanwijzingen dat het noodzakelijk kan zijn om grondig onderzoek te doen om de classificatie angststoornis door een somatische aandoening te kunnen uitsluiten. Angststoornissen kunnen — omgekeerd — somatische aandoeningen verergeren of het risico daarop verhogen; bijvoorbeeld bij cardiovasculaire aandoeningen en het hartinfarct: in die gevallen moet niet worden gekozen voor de classificatie angststoornis door een somatische aandoening.
Ziekteangststoornis Een angststoornis door een somatische aandoening moet worden onderscheiden van de ziekteangststoornis. De ziekteangststoornis wordt gekenmerkt door bezorgdheid over ziekte, ongerustheid over pijn en gepreoccupeerd zijn met lichamelijke processen. De ziekteangststoornis kan wel of niet gepaard gaan met een vastgestelde somatische aandoening. Hoewel iemand met een ziekteangststoornis en een gediagnosticeerde somatische aandoening waarschijnlijk angst zal ervaren over de somatische aandoening, is er geen fysiologisch verband tussen de somatische aandoening en de angstsymptomen.
Aanpassingsstoornissen De angststoornis door een somatische aandoening moet worden onderscheiden van aanpassingsstoornissen met angst, of aanpassingsstoornissen met angst en een verlaagde stemming. De classificatie aanpassingsstoornis is geïndiceerd als mensen een maladaptieve respons vertonen op de stress als gevolg van de diagnose of het managen van een somatische aandoening. De reactie op stress betreft meestal de betekenis of de gevolgen van de stress, afgezet tegen de ervaring van angst- of stemmingssymptomen die optreden als gevolg van de somatische aandoening. Bij aanpassingsstoornissen hangen de angstsymptomen over het algemeen samen met het omgaan met de stress (coping) die gepaard gaat met het hebben van een somatische aandoening, terwijl mensen met een angststoornis door een somatische aandoening vaker prominent aanwezige lichamelijke symptomen hebben en bezig zijn met andere zaken dan de stress van de ziekte zelf.