Het hoofdkenmerk van de angststoornis door een somatische aandoening is significante angst, waarvan wordt geoordeeld dat deze het best wordt verklaard als een fysiologisch effect van een somatische aandoening. De symptomen kunnen bestaan uit prominent aanwezige angstsymptomen of paniekaanvallen (criterium A). Het oordeel dat de symptomen het best worden verklaard door de eveneens aanwezige somatische aandoening moet gebaseerd zijn op aanwijzingen vanuit de anamnese, het lichamelijke onderzoek of laboratoriumuitslagen (criterium B). Daarnaast moet ook worden beoordeeld of de symptomen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis (criterium C), in het bijzonder een aanpassingsstoornis met angst, waarin de somatische aandoening de stressor is. Wanneer dit het geval is, is iemand met een aanpassingsstoornis vooral van streek over de betekenis of de gevolgen van de aanwezige somatische aandoening. Daartegenover staat dat angst die wordt veroorzaakt door een somatische aandoening vaak een prominente fysieke component heeft (zoals kortademigheid). De classificatie geldt niet als de angstsymptomen uitsluitend optreden tijdens het beloop van een delirium (criterium D). De angstsymptomen moeten klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium E).
De clinicus die wil bepalen of de angstsymptomen aan een somatische aandoening kunnen worden toegeschreven, dient eerst de aanwezigheid van die somatische aandoening vast te stellen. Bovendien moet worden vastgesteld of een etiologische relatie tussen de angstsymptomen en de somatische aandoening mogelijk is, via een bepaald fysiologisch mechanisme, voordat wordt geoordeeld dat dit voor een specifieke persoon de beste verklaring is van de angstsymptomen. Om dit te kunnen beoordelen is zorgvuldig en veelomvattend onderzoek van meerdere factoren noodzakelijk. Verscheidene aspecten van het klinische beeld moeten hierbij worden betrokken: (1) de aanwezigheid van een duidelijk chronologisch verband tussen enerzijds het begin, de verergering of de remissie van de somatische aandoening en anderzijds de angstsymptomen; (2) de aanwezigheid van kenmerken die atypisch zijn voor een onafhankelijke angststoornis (zoals een atypische beginleeftijd of een atypisch beloop); en (3) onderzoeksbevindingen uit de literatuur waaruit blijkt dat een bekend fysiologisch mechanisme (zoals hyperthyreoïdie) angst veroorzaakt. Verder moeten de symptomen niet beter kunnen worden verklaard door een onafhankelijke angststoornis, een angststoornis door een middel/medicatie, of een andere onafhankelijke psychische stoornis (zoals een aanpassingsstoornis).
Van een aantal somatische aandoeningen is bekend dat angst een symptoom ervan is. Voorbeelden zijn endocriene ziekten (zoals hyperthyreoïdie, feochromocytoom, hypoglycemie, hyperadrenocorticisme), cardiovasculaire aandoeningen (zoals congestief hartfalen, longembolie, aritmieën zoals boezemfibrilleren), respiratoire ziekten (zoals COPD, astma, longontsteking), stofwisselingsstoornissen (zoals vitamine B12-deficiëntie, porfyrie) en neurologische ziekten (zoals neoplasmata, vestibulaire disfunctie, encefalitis, epileptische aandoeningen).