Vliegangst
Katharina Meyerbröker, PhD
Onno Huybrechts, een 51-jarige zakenman, komt op consult bij een gezondheidszorgpsycholoog omdat hij niet per vliegtuig kan reizen. Zijn enige dochter is pas moeder geworden en hoewel hij zijn eerste kleindochter dolgraag wil ontmoeten, heeft hij het gevoel dat hij niet over de Atlantische Oceaan kan vliegen, naar het land waar zijn dochter woont.
De vliegangst van patiënt is drie jaar geleden begonnen toen hij zich aan boord van een vliegtuig bevond dat midden in een ijsregen een gedwongen landing moest maken. Twee jaar geleden heeft hij voor het laatst gevlogen, maar hij vertelt dat hij tijdens het opstijgen en landen moest huilen. Een jaar voor het psychiatrisch onderzoek is hij nog één keer met zijn vrouw naar het vliegveld gegaan, om naar de bruiloft van zijn dochter te vliegen. Ondanks dat hij een grote hoeveelheid alcohol tot zich had genomen, raakte patiënt in paniek en weigerde hij aan boord te gaan. Na deze mislukte poging voelde hij iedere keer een hevige angst, zelfs wanneer hij alleen al dacht aan de mogelijkheid om te vliegen, en door deze angst heeft hij een promotie op zijn werk en een externe baan laten schieten, omdat hij hiervoor veel zakenreizen zou moeten maken.
Patiënt vertelt dat hij sinds hij beseft hoe dit hem beperkt, verdriet en spijt voelt, maar antwoordt ontkennend op vragen naar de neurovegetatieve symptomen van depressiviteit. Hij is meer alcohol gaan gebruiken en drinkt nu iedere avond drie glazen wijn ‘om te ontspannen’. Op vragen of hij ooit complicaties door alcohol of onttrekkingssymptomen heeft gehad, antwoordt hij ontkennend. Hij zegt ook dat er geen psychiatrische problemen in zijn familie voorkomen.
Hij heeft geen angstklachten in andere situaties en geeft aan dat zijn collega’s hem als een doortastende en succesvolle zakenman zien die ‘met het grootste gemak’ honderden mensen toespreekt. In antwoord op specifieke vragen zegt hij dat hij als kind ‘doodsbang’ is geweest om door een slang te worden gebeten. Hij wilde daarom nooit met het gezin mee kamperen en zelfs geen lange wandelingen maken. Als volwassene is hij niet meer bang om door een slang te worden gebeten, omdat hij in een grote stad woont en altijd per trein op vakantie gaat naar andere stedelijke gebieden.