Vliegangst

    Katharina Meyerbröker, PhD

    Bespreking

    De heer Huybrechts heeft zo’n hevige vliegangst dat hij niet aan boord wil gaan, ondanks dat hij zeer gemotiveerd is om dat wel te doen. Alleen al door de gedachte aan vliegtuigen en vliegvelden raakt hij erg van slag. Zijn vrees is aanhoudend aanwezig en heeft gezorgd voor significante beperkingen in zijn functioneren. Hij voldoet dus aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor de specifieke fobie. In de DSM-5 staan ook specificaties om de fobie te omschrijven. In het geval van patiënt is de fobische stimulus vliegen, waarvoor de specificatie ‘situationeel’ kan worden genoteerd. (Andere veelvoorkomende situationele stimuli zijn bijvoorbeeld liften en afgesloten ruimtes.)

    De meeste mensen met een specifieke fobie zijn bang voor meerdere objecten of situaties. Hoewel patiënt eerst zegt geen andere angsten te hebben, vertelt hij wel dat hij in zijn jeugd een zeer ernstige vrees voor slangen heeft gehad. Om die reden wilde hij nooit mee kamperen of lange wandelingen maken. Hij woont nu in een stedelijke omgeving, waar de kans om op een slang te stuiten wel heel klein is, maar volgens de DSM-5 is het zelfs mogelijk een classificatie toe te kennen voor een specifieke fobie wanneer de patiënt de fobische stimulus niet snel kan tegenkomen. Vanuit een klinisch perspectief is het belangrijk om dergelijke fobieën aan het licht te brengen, omdat de vermijding niet alleen kan leiden tot een vrij duidelijke lijdensdruk en disfunctioneren (niet kunnen vliegen betekent dat hij zijn dochter niet kan bezoeken of niet optimaal kan functioneren op zijn werk) maar ook tot le­vens­be­ïn­vloe­den­de beslissingen kunnen leiden, die niet helemaal bewust worden genomen (een vrees voor slangen die ertoe leidt dat patiënt systematisch landelijke gebieden uit de weg gaat).

    Naast dieren en situaties is er nog een aantal categorieën van fobische stimuli. Voorbeelden hiervan zijn de natuurlijke omgeving (hoogte, onweer), bloed/injecties/verwonding (bijvoorbeeld naalden, invasieve medische procedures) en andere stimuli (bijvoorbeeld harde geluiden of gekostumeerde personen).

    Een specifieke fobie is vaak comorbide met andere angst­stoor­nis­sen, en ook met depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen, stoornissen in het gebruik van een middel, de somatisch-symp­toom­stoor­nis en per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen. Patiënt vindt niet dat hij last ondervindt van zijn alcoholgebruik of dat hij er niet goed door kan functioneren, en daarom lijkt zijn drankgebruik niet te voldoen aan de criteria voor een DSM-5-stoornis, maar uit nader onderzoek kan blijken dat zijn avondlijke drinkgedrag wel degelijk problematisch kan zijn voor een ander aspect van zijn leven. Als blijkt dat de vliegangst een symptoom is van een andere stoornis (bijvoorbeeld een uiting van agorafobie), is die andere stoornis (de agorafobie) de accuraatste DSM-5-classificatie. Het ziet er echter naar uit dat patiënt een tamelijk klassieke specifieke fobie heeft.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.