Bacteriën

    Dan J. Stein, MD, PhD; Helen Blair Simpson, MD, PhD; Katharine A. Phillips, MD

    Tom Leeuwmans, een alleenstaande man van 32 jaar die bij zijn ouders inwoont, bezoekt de psychiater samen met zijn moeder. Zij vertelt dat haar zoon zich al sinds zijn adolescentie zorgen maakt dat hij besmet is met ‘bacteriën’, en dat daardoor al lange tijd geleden allerlei rituelen rond handen wassen en douchen zijn ontstaan. Het afgelopen halfjaar zijn die symptomen opvallend verergerd. Patiënt is gepreoccupeerd bezig met de mogelijkheid dat hij wordt besmet met hiv, en brengt zijn dag door met het reinigen van niet alleen zijn lichaam, maar ook al zijn kleding en linnengoed. Ook bij de andere gezinsleden dringt hij er de laatste tijd op aan dat ze hun kleding en linnengoed regelmatig wassen, en dit is de aanleiding voor het bezoek van vandaag.

    De klachten van patiënt zijn eerder al eens behandeld met een selectieve se­ro­to­ni­ne­her­op­na­mer­em­mer (SSRI) en cognitieve gedragstherapie. Deze hadden destijds wel een enigszins positief effect, en patiënt heeft de middelbare school met een diploma kunnen afsluiten. De klachten hebben er echter wel voor gezorgd dat het hem niet is gelukt een ver­volg­op­lei­ding af te maken of buitenshuis te werken. Hij heeft lang het gevoel gehad dat thuis vergeleken met de buitenwereld relatief vrij was van ziektekiemen, maar het afgelopen halfjaar is hij steeds vaker gaan beweren dat ook het ouderlijk huis besmet is, ook met hiv.

    Volgens de tractus-men­ta­lisa­nam­ne­se heeft patiënt geen andere symptomen van een obsessieve-compulsieve of verwante stoornis, zoals seksuele, religieuze of andere obsessies; preoccupaties met zijn uiterlijk of het verwerven van spullen; of li­chaams­ge­rich­te repetitieve handelingen. In het verleden heeft hij echter wel obsessies gehad met als thema dat hemzelf of anderen iets ergs zou overkomen, en deze gingen gepaard met dwangmatig controleren (bijvoorbeeld controleren of het fornuis wel uit stond). Als kind heeft hij motorische tics gehad. In zijn mid­del­ba­re­school­tijd hielp cannabis naar zijn ervaring tegen de angst. Mede doordat hij in een sociaal isolement is terechtgekomen, is hij al tien jaar niet meer in de gelegenheid geweest om cannabis of andere psychoactieve middelen te gebruiken.

    Bij het status-men­ta­lis­on­der­zoek wordt een slonzige en onverzorgde man gezien. Hij is cognitief intact. Er zijn geen aanwijzingen voor hallucinaties of formele denkstoornissen. Hij is er volledig van overtuigd dat zijn huis met hiv besmet is geraakt en dat zijn was- en schoon­maak­han­de­lin­gen noodzakelijk zijn om niet met het virus besmet te raken. Op informatie bedoeld om deze overtuiging uit te dagen, namelijk dat het hiv-virus zich alleen kan verspreiden via li­chaams­vloei­stof­fen, reageert patiënt door te zeggen dat het virus in zijn huis terecht kan zijn gekomen via het zweet of speeksel van mensen die op bezoek zijn geweest. Het is volgens hem in elk geval goed mogelijk dat het virus overleeft op kleding of linnengoed en vervolgens via zijn mond, ogen of andere li­chaams­ope­nin­gen zijn lichaam binnendringt. Verder vertelt hij dat zijn ouders geprobeerd hebben hem ervan te overtuigen dat zijn bezorgdheid excessief is, maar dat hij hen niet gelooft, en er ook last van heeft dat de bezorgdheid door zijn hoofd speelt wanneer hij aan iets anders probeert te denken. Patiënt is niet van plan zichzelf of anderen iets aan te doen of van het leven te beroven.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.