Insomnia en lichamelijke klachten
Russell F. Lim, MD
Kumbau Fang, een 59-jarige weduwe, is verwezen naar een ggz-instelling nadat zij herhaaldelijk bij haar huisarts heeft geklaagd over vermoeidheid, chronische rugpijn en slapeloosheid. De afgelopen elf maanden heeft haar huisarts temazepam voorgeschreven voor de nacht en diclofenac tegen de pijn. Ze sliep daarna beter en haar pijn nam af, maar ze bleef zich de hele dag moe voelen. Om die reden verwees haar huisarts haar voor een psychiatrisch onderzoek.
Mevrouw Kumbau is een paar jaar geleden via Thailand naar Nederland gekomen. Ze komt oorspronkelijk uit Birma en behoort tot het minderheidsvolk Kachin. Ze heeft met haar familie jarenlang in een Thais vluchtelingenkamp gewoond. Zij en haar gezin hebben zich in Oss gevestigd, waar ze door VluchtelingenWerk zijn opgevangen.
In antwoord op vragen die via een tolk zijn gesteld, zegt patiënte zich niet somber te voelen. Op de vraag of ze wel van dingen kan genieten, antwoordt ze dat ze zich bevoorrecht voelt om in Nederland te mogen wonen en dat ze geen recht tot klagen heeft. Ze zegt dat ze het gevoel heeft dat ze niet genoeg doet om haar familie te ondersteunen. Ze schaamt zich voor haar vermoeidheid omdat ze ‘de hele dag niets uitvoert’. Op de vraag of ze zichzelf iets aan wil doen antwoordt ze ontkennend.
Ze vertelt dat ze heel trots is op al haar kinderen, vooral op haar zoon, die in Thailand een heel goede leerling was en nu goed Nederlands spreekt. Desondanks houden haar zoon, zijn vrouw en hun twee jonge kinderen zich aan de culturele gebruiken die zij in Birma en Thailand ook hebben nageleefd. Patiënte woont bij hen en vaak bereiden zij Kachinmaaltijden. De zoon is samen met zijn vrouw een kleine boerderij begonnen op het platteland, waar ze groenten verbouwen voor Aziatische restaurants. Haar zoon heeft haar beide dochters werk aangeboden op de boerderij, totdat ze allebei terugkeerden naar de Birmese gemeenschap in Oss.
Patiënte vertelt dat de overgang naar het leven in Nederland beter is gegaan dan ze had verwacht. De grootste tegenslag voor haar was het plotselinge overlijden van haar man door een hartinfarct, een jaar geleden, en het feit dat de meeste familieleden zich nog in het kamp in Thailand bevinden.
Bij het status-mentalisonderzoek wordt een kleine, zwaargebouwde vrouw gezien. Ze is gekleed in een gebloemde blouse met korte mouwen, een zwarte polyester pantalon en zwarte teenslippers, en draagt geen make-up. Ze heeft witte koordjes om haar polsen geknoopt. Haar ogen zijn meestal neergeslagen, maar ze lijkt wel waakzaam te zijn. Uit cognitief onderzoek blijkt dat zij een normale aandacht en concentratie heeft maar weinig onderwijs heeft genoten; het blijkt dat zij functioneel analfabeet is. Haar ziektebesef is ogenschijnlijk beperkt. Ze antwoordt ontkennend op vragen naar hallucinaties. Patiënte wekt een verdrietige indruk met een ingeperkt affect, maar zegt zich niet gedeprimeerd te voelen. Er is geen sprake van suïcidaliteit of homicidaliteit. Ze spreekt langzaam en zorgvuldig.
Na vragen over de witte koordjes om haar polsen, legt patiënte uit dat zij kortgeleden een medicijnman heeft bezocht, die verschillende ceremonies heeft gehouden waarbij geesten werden opgeroepen om zich met hun verre familieleden te herenigen.