Depressiviteit

    Mayumi Okuda, MD; Helen Blair Simpson, MD, PhD

    Sam Klapperveld, een 52-jarige conciërge die nooit gehuwd is geweest, meldt zich voor behandeling van zijn depressiviteit. Hij worstelt al jaren met depressieve symptomen en heeft fluoxetine, citalopram en ondersteunende psychotherapie gehad, die tot lichte verbetering hebben geleid. Hij werkt fulltime maar onderneemt naast zijn werk heel weinig activiteiten.

    Op de vraag hoe hij zich voelt, vertelt patiënt dat zijn stemming somber is, dat hij niet van dingen kan genieten en dat hij last heeft van slapeloosheid, gevoelens van hopeloosheid, weinig energie, en moeite heeft met zich concentreren en beslissingen nemen. Hij zegt dat hij momenteel niet suïcidaal is, maar vertelt dat er een paar maanden geleden wel momenten zijn geweest dat hij naar de metrorails stond te staren en overwoog te springen. Hij vertelt dat hij af en toe alcohol drinkt, maar geen drugs gebruikt.

    Op vragen naar angst antwoordt patiënt dat hij zich zorgen maakt over het oplopen van ziekten zoals hiv. De onderzoeker merkt een ongebruikelijk sterke geur van een desinfecterend middel op en vraagt aan patiënt of hij in verband met die angst om hiv op te lopen ook bepaalde schoon­maak­ge­dra­gin­gen vertoont. Patiënt is even stil en legt dan uit dat hij buitenshuis zo weinig mogelijk probeert aan te raken. Na doorvragen vertelt hij nog dat hij, als hij zelfs maar in de buurt komt van voorwerpen die hij als mogelijk besmet beschouwt, zijn handen eindeloos moet wassen met bleekmiddel. Hij wast zijn handen gemiddeld wel dertig keer per dag en besteedt uren aan deze routine. Vooral lichamelijk contact is erg moeilijk voor hem. Boodschappen doen en reizen met het openbaar vervoer kosten hem veel moeite, en het onderhouden van sociale contacten of het aangaan van een liefdesrelatie heeft hij bijna helemaal opgegeven.

    Op de vraag of er nog andere zaken zijn waar hij zich zorgen over maakt, antwoordt patiënt dat hij zich opdringende beelden heeft over dat hij iemand slaat, dat hij vreest dat hij dingen zal zeggen die beledigend zijn of niet kloppen, en dat hij bezorgd is dat hij zijn buren stoort. Om de angst als gevolg van deze beelden en gedachten tegen te gaan, speelt hij gesprekken die hij heeft gehad voortdurend opnieuw af in zijn hoofd, houdt hij dagboeken bij waarin hij noteert wat er is gezegd en biedt hij vaak zijn ver­ont­schul­di­gin­gen aan uit vrees aanstoot te hebben gegeven. Als hij onder de douche gaat, let hij goed op dat het water niet te hoog in de douchebak komt te staan, uit vrees dat hij een overstroming zal veroorzaken bij zijn buren.

    Op zijn werk draagt patiënt handschoenen en functioneert hij goed. Hij heeft geen problemen met zijn lichamelijke gezondheid. Zijn vrije tijd brengt hij grotendeels thuis door. Hoewel hij graag in gezelschap van andere mensen verkeert, is de vrees dat hij iets moet aanraken als hij wordt uitgenodigd voor een etentje of een bezoek bij iemand thuis, hem te veel.

    Bij onderzoek wordt een man in vrije­tijds­kle­ding gezien die sterk naar bleekmiddel ruikt. Hij oogt bezorgd, met een ingeperkt affect, maar is verder coöperatief. Hij is cognitief intact. Er zijn geen manifeste hallucinaties of denkbeelden waaraan hij sterk vasthoudt. Evenmin zijn er formele denkstoornissen. Plannen om zichzelf of anderen iets aan te doen worden ontkend. Hij erkent dat zijn angsten en impulsen ‘een beetje maf’ zijn, maar heeft er geen controle over.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.