Driftbuien

    Arshya Vahabzadeh, MD; Eugene Beresin, MD; Christopher McDougle, MD

    Bram is een jongen van 12 jaar die met zijn moeder naar de kin­der­psy­chi­a­ter is gekomen voor onderzoek naar aanleiding van driftbuien die lijken bij te dragen aan zijn verslechterende school­pres­ta­ties. Moeder raakt geëmotioneerd als ze vertelt dat Bram altijd een moeilijk kind is geweest, maar dat dit erger is geworden sinds de overgang naar het voortgezet onderwijs.

    De leerkrachten van groep 8 van de basisschool beschrijven Bram als een jongen die goed kon leren maar moeite had met vrienden maken. Als andere kinderen aardig tegen hem probeerden te zijn, leek hij hun bedoelingen te wantrouwen, en vervolgens vertrouwde hij juist kinderen die voor de grap deden alsof ze geïnteresseerd waren in de speelgoedauto’s en -vrachtwagens die hij mee naar school nam. De leraren op zijn nieuwe school vertellen dat Bram vaak huilt en weinig praat in de klas. De afgelopen maanden hebben meerdere leraren hem horen schreeuwen tegen andere jongens, meestal in de gang maar soms ook bij hen in de les. Een oorzaak voor dit gedrag hebben ze nog niet kunnen aanwijzen, maar ze hebben Bram meestal niet gestraft omdat ze ervan uitgingen dat hij werd geprovoceerd door andere kinderen.

    In het individuele gesprek met Bram beantwoordt hij de vragen over school, klasgenoten en de gezinssituatie mompelend en op vlakke toon. Maar als de onderzoeker hem vraagt of hij geïnteresseerd is in speelgoedauto’s wordt Bram enthousiast. Hij haalt verschillende auto’s, vrachtauto’s en vliegtuigen uit zijn rugzak, en praat zonder goed oogcontact te maken langdurig over voertuigen, waarbij hij exact de juiste namen gebruikt (bijvoorbeeld voorlader, B-52, Jaguar). Als de onderzoeker nogmaals vraagt hoe het gaat op school, haalt Bram zijn mobiele telefoon te voorschijn en laat een reeks sms’jes zien: ‘Dombo!!! meneer stottermans, loser, mafketel! IEDEREEN HEEFT DE PEST AAN JOU!’ Terwijl de onderzoeker de lange lijst met sms’jes leest die Bram heeft bewaard, maar zo te zien nog niet eerder aan iemand heeft laten zien, vertelt Bram nog dat andere jongens in de klas ‘lelijke woorden’ tegen hem fluisteren en vervolgens in de gang tegen hem beginnen te schreeuwen. ‘En ik haat harde geluiden.’ Hij vertelt dat hij heeft overwogen om van huis weg te lopen, maar vervolgens heeft besloten dat naar zijn eigen kamer gaan misschien beter was.

    Wat de ontwikkeling van Bram betreft: hij was 11 maanden oud toen hij zijn eerste woordjes zei, en hij begon toen hij 3 jaar was korte zinnetjes te zeggen. Al van kleins af aan was hij erg bezig met vrachtwagens, auto’s en treinen. Volgens zijn moeder is hij altijd ‘erg verlegen’ geweest en een beste vriend heeft hij nooit gehad. Hij heeft moeite met grapjes en dollen zoals kinderen dat normaal met elkaar doen, want ‘hij vat alles zo letterlijk op’. Zijn moeder vindt dit gedrag al heel lang ‘een beetje vreemd’, maar voegt daaraan toe dat het gedrag van Bram niet heel erg verschilt van dat van zijn vader, een succesvolle advocaat, die vergelijkbare uitgesproken interesses heeft. Vader en zoon zijn volgens haar beiden ‘dol op routine’ en hebben ‘geen gevoel voor humor’.

    Bij onderzoek is patiënt verlegen en over het algemeen niet spontaan. Hij maakt minder dan gemiddeld oogcontact. Cognitief functioneert hij goed. Ook psychotische symptomen zijn niet manifest aanwezig. Zijn denken is samenhangend. Hoewel patiënt zegt dat hij zich wel goed voelt, maakt hij een verdrietige indruk. Zijn affect klaart alleen op als hij over zijn autoverzameling praat. Hij is duidelijk angstig om naar school te gaan. Er is geen sprake van suïcidale of homicidale gedachten. Soms struikelt hij over zijn woorden, last hij erg lange pauzes in tussen de woorden, en een enkele keer herhaalt hij een woord of een deel van een woord.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.