Steeds vreemder
Ming T. Tsuang, MD, PhD, DSc; William S. Stone, PhD
George Biswane, een 20-jarige man van Surinaamse afkomst, wordt naar de spoedeisende hulp gebracht door de politie. De politie is ingeschakeld door een hoogleraar van de universiteit waar hij tot een paar maanden geleden studeerde. Deze vertelde dat George zijn collegezaal kwam binnenlopen en daarbij riep: ‘Ik ben de Joker, en ik ben op zoek naar Batman!’ Toen hij weigerde de zaal te verlaten, heeft de docent de bewaking ingeschakeld.
George Biswane was een erg goede leerling en student, maar zijn gedrag is het afgelopen jaar steeds vreemder geworden. Hij gaat niet meer met zijn vrienden om en ligt de hele dag in bed naar het plafond te staren. Hij heeft bij verschillende familieleden in huis gewoond, maar sprak ze zelden. Zijn zus vertelt dat ze hem meerdere keren zachtjes in zichzelf heeft horen mompelen en heeft gemerkt dat hij soms ’s nachts op het dak van hun huis met zijn armen ging staan zwaaien, ‘alsof hij een symfonie aan het dirigeren was’. Hij antwoordt ontkennend op de vragen of hij daarbij de bedoeling had om van het dak af te springen en of hij gedachten heeft over zelfbeschadiging, maar zegt dat hij zich op het dak bevrijd voelde en in harmonie met de muziek. Georges vader en zus hebben hem wel aangespoord om met een studentenpsycholoog te gaan praten, maar hij is nog nooit bij een psychiater geweest en is nooit eerder opgenomen geweest.
In de voorafgaande maanden is George steeds meer gepreoccupeerd geraakt met een vriendin, Anne, die verderop in de straat woont. Terwijl hij tegenover zijn familie stellig beweert dat ze verloofd zijn, heeft Anne dit steeds ontkend. Ze vertelde tegen Georges zus dat ze elkaar haast nooit hebben gesproken en zeker geen relatie hebben. De zus vertelt ook dat hij heel veel brieven aan Anne heeft geschreven, maar deze nooit heeft verstuurd; ze liggen nog allemaal op zijn bureau.
Volgens de familie heeft hij nooit drugs of alcohol gebruikt en het toxicologisch onderzoek is negatief. Wanneer hem wordt gevraagd of hij drugs gebruikt, lijkt George boos te worden en weigert hij te antwoorden.
Bij het onderzoek op de spoedeisende hulp wordt een verzorgde jongeman gezien die over het algemeen niet-coöperatief is. In het contact is hij afwerend en achterdochtig. Zijn aandacht is moeilijk te trekken en vast te houden. Hij is goed georiënteerd en spreekt gearticuleerd, maar weigert mee te werken aan een formeel cognitief onderzoek. Zijn realiteitsbesef en oordeelsvermogen worden als beperkt geschat. Hij lijkt door iets in beslag genomen maar zegt geen hallucinaties te hebben. Hij wordt razend als medewerkers van de spoedeisende hulp hem een maaltijd komen brengen. Met luide stem beweert hij dat al het ziekenhuiseten giftig is en dat hij alleen een bepaald merk water uit een flesje wil drinken. Genoteerd wordt dat hij paranoïde, grootheids- en erotomane wanen heeft. Patiënt zegt zich ‘slecht’ te voelen, maar antwoordt ontkennend op vragen naar depressiviteit, slaapproblemen of een veranderde eetlust.
De oma van George Biswane is in een psychiatrisch ziekenhuis overleden, nadat ze daar dertig jaar had gewoond. Het is onbekend wat haar diagnose was. Naar verluidt is de moeder van George ‘gek’. Zij heeft haar gezin in de steek gelaten toen George nog heel jong was, waarna hij door zijn vader en de oma van vaders kant werd grootgebracht.
Uiteindelijk stemde patiënt in met een opname op de paaz, en zei: ‘Ik vind het niet erg om hier te zijn. Waarschijnlijk komt Anne ook zo en dan kan ik bij haar zijn.’