Bespreking
De heer Anssems zegt dat hij geen sombere stemming heeft, maar vertoont wel tekenen van anhedonie, naast nog vijf andere depressieve symptomen (eetlust-/gewichtsverlies, insomnia, vermoeidheid, slechte concentratie en psychomotorische vertraging), die alle langer dan twee weken aanwezig zijn. Deze klachten geven lijdensdruk en ze hebben een significante invloed op zijn sociale functioneren. Dit kan wijzen op een depressieve stoornis. Patiënt heeft echter geen persoonlijke of familieanamnese met depressieve-stemmingsstoornissen, een atypische late beginleeftijd, symptomen die zich tijdens het beloop van de ziekte van Parkinson ontwikkelen en geen herkenbare acute stressoren in zijn leven. Klinisch significante depressiviteit komt bij ongeveer één op de drie gevallen van de ziekte van Parkinson voor. Het ligt daarom meer voor de hand dat de depressieve symptomen verband houden met de pathofysiologische veranderingen in het centrale zenuwstelsel ten gevolge van de ziekte van Parkinson.
Wanneer het begin of de progressie van een somatische aandoening tijdelijk gepaard gaat met depressieve symptomen die niet kunnen worden verklaard door een delirium, moet gedacht worden aan de DSM-5-classificatie depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening. Deze classificatie is bedoeld voor situaties waarin de depressieve symptomen worden veroorzaakt door de directe lichamelijke effecten van een somatische aandoening (bijvoorbeeld neurodegeneratieve stoornissen bij de ziekte van Parkinson). Met andere woorden: deze classificatie is niet bedoeld voor mensen van wie de symptomen zijn ontstaan als gevolg van een psychische reactie op hun ziekte; dit zou als aanpassingsstoornis met sombere stemming worden geclassificeerd. Deze twee mogelijke oorzaken van depressieve symptomen (somatisch of psychisch) worden wat kunstmatig tegenover elkaar gezet, maar kunnen ook hand in hand gaan. Er zijn echter ook veel gevallen waarin de aanwijzingen sterker in de richting van de ene dan van de andere wijzen. Vanwege de eerder getoonde veerkracht van patiënt toen hij de ziekte van Parkinson kreeg en zijn steevast positieve copingstijl, ligt de classificatie aanpassingsstoornis echter minder voor de hand.
Als volledig wordt voldaan aan de criteria voor een depressieve stoornis, dient de specificatie ‘met depressieve episode’ aan de classificatie te worden toegevoegd. Doordat de symptomen van somatische aandoeningen kunnen overlappen met depressieve symptomen, kan er onduidelijkheid over de classificatie ontstaan. Mensen met de ziekte van Parkinson hebben bijvoorbeeld, ook los van een sombere stemming of anhedonie, vaak last van klachten als vermoeidheid, psychomotorische vertraging, slaapstoornissen, cognitieve beperkingen en gewichtsverlies. In het geval van patiënt zijn deze symptomen echter ontstaan of verergerd tijdens zijn nieuwe klachten van anhedonie, wat doet vermoeden dat er sprake is van een depressieve episode veroorzaakt door een somatische aandoening.
Zoals vaak het geval is bij de ziekte van Parkinson, heeft patiënt een slaapstoornis die overeenkomt met een remslaapgedragsstoornis (RSGS). Deze slaapstoornis wordt gekenmerkt door herhaaldelijke episoden van arousal tijdens de slaap en gaat gepaard met vocalisatie en/of complex motorisch gedrag, wat kan leiden tot ‘het verwonden van zichzelf of de slaappartner’. Bij het ontwaken is de betrokkene meestal volledig wakker en heeft deze het gevoel zijn droom te hebben ‘uitgevoerd’. Bij polysomnografie is er geen atonie tijdens de remslaap, maar dit onderzoek is voor het toekennen van de classificatie in het kader van een synucleïnopathie als de ziekte van Parkinson niet vereist. De symptomen doen zich meestal voor na negentig minuten slaap of langer, en meestal in de tweede helft van de nacht, wanneer de remslaap vaker optreedt. De voorgeschiedenis van patiënt komt overeen met RSGS, maar zijn recenter opgetreden problemen met het inslapen worden door deze stoornis niet verklaard en passen meer bij een depressieve stoornis.
Cognitieve veranderingen, vooral visuospatiële beperkingen en beperkingen van de executieve functies en het geheugen, komen vaak voor bij de ziekte van Parkinson. De uitslag van de MMSE van patiënt past bij dergelijke cognitieve veranderingen, maar zijn nieuwe subjectief ervaren concentratieproblemen zijn waarschijnlijk een gevolg van de depressiviteit. De cognitieve problemen van patiënt zijn licht en bezorgen hem niet al te veel beperkingen; hij voldoet niet aan de criteria voor een onafhankelijke neurocognitieve stoornis, hoewel het prospectief monitoren van de cognitie verstandig zou zijn, gezien het feit dat 25–30% van de mensen met de ziekte van Parkinson dementie ontwikkelt.
Behalve dat patiënt aan de criteria voor twee DSM-5-stoornissen voldoet, vertoont hij veerkracht, wijsheid en andere tekenen van een goede psychische gezondheid. Hij vertoont positieve copingvaardigheden (bijvoorbeeld cognitive reframing, het inzetten van zijn sociale netwerk), langdurige gezonde relaties, spiritualiteit, dankbaarheid, optimisme en een bij de ontwikkelingsfase passende ego-integriteit. Hij vertoont daarnaast een gezonde, niet-morbide visie op zijn persoonlijke sterfelijkheid. Helaas zijn zelfs mensen die weinig risicofactoren hebben voor depressiviteit en die hun leven lang op een psychologisch gezonde manier hebben gefunctioneerd, niet immuun voor de neuropsychiatrische effecten van bepaalde somatische aandoeningen.