Wanhoop
Cheryl Munday, PhD; Jamie Miller Abelson, MSW; James Jackson, PhD
Chafiya Sahbi, een 33-jarige huismoeder van Marokkaanse afkomst, is verwezen naar een ambulante ggz-instelling om ‘met iemand te praten’ over haar gevoelens van wanhoop, die de afgelopen acht tot tien maanden zijn verergerd. Ze is vooral ontdaan over haar huwelijksproblemen en een voor haar doen ongewoon wantrouwen jegens haar schoonfamilie.
Patiënte vertelt dat ze tegenwoordig al voor de ochtend wakker wordt en zich dan somber en huilerig voelt. Ze heeft moeite om uit bed te komen en haar dagelijkse huishoudelijke activiteiten uit te voeren. Soms voelt ze zich erg schuldig omdat ze niet ‘in haar gewone doen’ is. Op andere momenten raakt ze, snel en om vrijwel niets, geïrriteerd over haar man en schoonfamilie. Voorheen steunde ze op haar schoonmoeder bij de zorg voor de kinderen, maar ze vertrouwt haar die verantwoordelijkheid inmiddels niet meer helemaal toe. Deze zorgen, en ook nog haar slaapproblemen en vermoeidheid, maken het voor patiënte erg moeilijk om de kinderen op tijd naar school te krijgen. In de afgelopen paar maanden is ze bijna zes kilo afgevallen zonder te lijnen. Ze zegt momenteel geen suïcidegedachten te hebben en dat ze ‘nooit zoiets zou doen’, maar geeft wel toe dat ze er weleens aan denkt om het ‘maar gewoon op te geven’ en dat ze ‘maar beter dood kan zijn’.
Twee maanden geleden heeft patiënte gedurende een aantal weken een psychiater bezocht en fluoxetine voorgeschreven gekregen. Ze twijfelde al of ze dit middel wel zou moeten proberen en is er snel mee gestopt omdat ze er moe van werd. Ze is ook gestopt met de therapie, en geeft aan dat de psychiater haar niet leek te begrijpen.
Patiënte woont samen met haar man, met wie zij al dertien jaar is getrouwd, en hun twee schoolgaande kinderen. De ouders van haar man wonen om de hoek. Naar eigen zeggen is haar huwelijk goed, maar haar man heeft wel voorgesteld dat ze ‘naar iemand toe gaat’, zodat ze niet meer ‘de hele tijd tegen iedereen loopt te schreeuwen’. Hoewel ze voorheen altijd heel sociaal was, spreekt ze haar eigen moeder en zussen nu nauwelijks meer, en haar vriendinnen al helemaal niet. Ze gaat normaal regelmatig naar de moskee, maar is nu gestopt omdat haar geloof naar eigen zeggen ‘zwak’ is. Haar imam is altijd erg steunend, maar ze heeft hem nooit over haar problemen verteld omdat hij ‘dit soort dingen vast niet wil horen’.
Patiënte was vroeger volgens haarzelf een extravert en vriendelijk kind. Ze groeide op bij haar ouders en drie brussen. Ze herinnert zich dat ze rond de leeftijd van 10–11 jaar erg van slag was omdat haar vader overleed en haar moeder hertrouwde. Omdat ze veel conflicten had met andere kinderen op school, sprak ze veel met een leerkracht met wie ze een band voelde. Anders dan de psychiater die ze recentelijk heeft gezien, ‘bemoeide’ de leerkracht zich niet met ‘haar zaken’ en hielp zij haar zich te herstellen. Tegen de tijd dat ze naar de brugklas ging, werd ze stiller, aldus patiënte, kreeg ze minder vriendinnen en was ze nauwelijks in school geïnteresseerd. Ze trouwde op haar 20ste en werkte in diverse winkels tot ze op 23-jarige leeftijd haar eerste kind kreeg.
Patiënte heeft sinds haar eerste zwangerschap geen alcohol meer gedronken en zegt ook geen enkele drug te hebben gebruikt. Ze antwoordt ontkennend op de vraag of ze nu of voorheen medicatie heeft gebruikt, afgezien van de korte periode waarin ze antidepressiva slikte. Ze zegt doorgaans een goede gezondheid te hebben.
Bij het status-mentalisonderzoek wordt een nonchalant verzorgde jonge vrouw gezien die haar klachten coöperatief maar ook enigszins op haar hoede presenteert, met trage antwoorden op de vragen. Ze moet worden aangemoedigd om meer details te vertellen. Ze heeft moeite oogcontact te maken met de mannelijke therapeut van middelbare leeftijd. Haar cognitieve functies, realiteitsbesef en oordeelsvermogen zijn alle intact (niet getest). Er zijn geen manifeste hallucinaties of wanen, maar wel enige achterdochtige denkbeelden over haar schoonfamilie en zeer forse schuldgevoelens dat ze tekortschiet als moeder en echtgenote. Haar stemming is verdrietig, af en toe huilt ze. De stemming vertoont dagschommelingen: ’s morgens is de somberheid meestal het sterkst. Er zijn geen suïcidale of homicidale gedachten, wel incidentele doodsverlangens. Er is sprake van anhedonie, interesseverlies, anergie en fors gewichtsverlies.