Controle over de relatie
Michael F. Walton, MD
Bespreking
Bij relatietherapie ligt het meer voor de hand dat de relatie wordt besproken in plaats van een van de twee mannen, maar deze casus gaat duidelijk om de bijdrage van Olivier Jansz aan de problemen in de relatie. Hij wordt gezien als een bazige, perfectionistische en inflexibele ‘workaholic’. Hij bewaart bezittingen in een excessieve mate en vindt het moeilijk om nieuwe dingen in zijn appartement te integreren, gezien de uren die hij spendeert om eigenhandig boeken te sorteren die ook gewoon allemaal op een plank gezet kunnen worden. Hij is gedreven en kan niet delegeren, en hoewel al deze eigenschappen in sommige omstandigheden van pas kunnen komen, leiden ze tot problemen en disfunctioneren als het gaat om de situatie met zijn vriend en met zijn collega’s. Daarom voldoet de heer Jansz zeer waarschijnlijk aan de criteria voor de DSM-5-classificatie dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis (DPS).
DPS en de obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) kunnen comorbide optreden, maar meestal bestaan ze onafhankelijk van elkaar. De belangrijkste onderscheidende factor is dat DPS een maladaptief gedragspatroon is dat zich kenmerkt door extreme beheerszucht en inflexibiliteit, terwijl OCS zich kenmerkt door de aanwezigheid van echte obsessies en compulsies.
Wel kan in het gedrag een significante overlap bestaan tussen OCS en DPS. Verzamelgedrag komt bijvoorbeeld bij beide classificaties veel voor. Bij DPS komt dat gedrag voort uit de behoefte aan orde en volledigheid, en de heer Jansz geeft dan ook aan dat hij als de dood is dat hij iets belangrijks kwijtraakt. Om goed te maken dat hij zijn appartement nu deelt met zijn vriend — waardoor het overvol raakt — werkt patiënt tot diep in de nacht grimmig door om zijn boekenplanken en kasten in hun gebruikelijke staat van excessieve ordelijkheid terug te brengen. Bij OCS komt de verzamelwoede eerder voort uit het uit de weg gaan van benauwende compulsieve rituelen of de obsessieve en vaak irreële angst voor onvolledigheid, beschadiging of besmetting. Kenmerkend aan dit gedrag is dat het ongewenst en ontwrichtend is en dat zich bezittingen opstapelen die echt vreemd zijn om te bewaren, zoals afgeknipte nagels en bedorven voedsel. Bij de verzamelstoornis, een nieuwe classificatie in de DSM-5, ligt de nadruk enkel en alleen op een persisterend probleem met het weggooien of wegdoen van bezittingen, in plaats van op de behoefte aan orde of op obsessies en compulsies.
Voor wat betreft de heer Jansz zou het nuttig zijn specifiek na te gaan of zijn verzamelgedrag niet een bepaalde gedachte moet verzachten die extra verontrustend of overheersend voor hem is, en om te weten hoe ver zijn verzamelzucht reikt. Het maken van lijstjes en het organiseren van spullen kunnen ook compulsies zijn, zodat ze voldoen aan de criteria voor OCS als blijkt dat ze niet alleen optreden bij spanning en moeite met ontspannen, maar ook veel tijd in beslag nemen. Hoewel de DSM-5 benadrukt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen OCS, DPS en de verzamelstoornis, kunnen deze drie stoornissen wel comorbide met elkaar optreden.
Zoals in de inleiding bij dit hoofdstuk is besproken, wordt in deel III van de DSM-5 een alternatief model geboden met vijf trekdomeinen van persoonlijkheidsstoornissen (zie tabel 18.1 bij de inleiding van dit hoofdstuk): negatieve affectiviteit, afstandelijkheid, antagonisme, ongeremdheid (vs. consciëntieusheid) en psychoticisme. Van die factoren zijn er verschillende die op de classificatie DPS van toepassing zijn. Zo wordt de interpersoonlijke stijl van de heer Jansz bij zijn vriend en collega’s waarschijnlijk gekenmerkt door rigide afstandelijkheid en een zeer ingeperkte mate van intimiteit. Hij vertoont een significante mate van negatieve affectiviteit, zoals blijkt uit zijn grimmige volharding in het volbrengen van taken tot in het overbodige. En tot slot is het hele verhaal van patiënt doordrenkt van dwangmatigheid, blijkens extreme consciëntieusheid en rigide perfectionisme.