Bezorgd en met een bizarre preoccupatie
Kristin Cadenhead, MD
Henry is een 19-jarige tweedejaarsstudent, die door de studentenarts is verwezen omdat hij zich vreemd gedroeg, alsof hij zich zorgen maakte en ergens door in beslag genomen werd, en ook dat zijn practicumblok vol met bizarre dreigende tekeningen stond.
Patiënt verschijnt op tijd voor het psychiatrische consult. Hoewel hij achterdochtig is over de reden van zijn doorverwijzing, verklaart hij dat hij in het algemeen ‘instructies opvolgt’ en zal doen wat hem gevraagd wordt. Hij bevestigt dat hij een aantal van zijn studiegenoten is gaan wantrouwen omdat hij denkt dat ze zijn krachten aan het ondermijnen zijn. Hij zegt dat ze tegen zijn begeleiders zeggen dat hij ‘een vreemde vogel’ is en dat ze hem niet als practicumpartner willen. Deze verwijzing naar de psychiater is volgens hem een bevestiging van zijn vermoedens.
Patiënt vertelt dat hij twee studenten ‘een muntje had zien opgooien’ over de vraag of hij homo of hetero was. Munten, zo legt hij uit, kunnen vaak de toekomst voorspellen. Hij heeft zelf weleens een munt opgegooid en ‘kop’ gegooid, waarmee de ziekte van zijn moeder voorspeld werd. Hij gelooft dat zijn gedachten vaak uitkomen.
Patiënt is overgestapt naar deze universiteit na zijn eerste jaar op een universiteit die voor hem dichter bij huis was. Deze overstap was het idee van zijn ouders, zegt hij, en maakt deel uit van hun plan om te zorgen dat hij net als iedereen wordt, en naar feestjes gaat en met meisjes optrekt. Volgens hem is dat soort gedrag allemaal tijdverspilling. Ze hebben wel geprobeerd hem over te halen in een studentenhuis te gaan wonen, maar dat heeft hij geweigerd en nu woont hij in een klein appartementje net buiten de stad.
Met Henry’s toestemming wordt zijn moeder gebeld om aanvullende informatie te geven. Zij vertelt dat hij altijd een stille, verlegen en gereserveerde jongen is geweest. Hij heeft nooit echte vriendjes gehad, nooit een meisje, en zei ook altijd dat hij geen vrienden wilde. Hij gaf af en toe wel toe dat hij somber en angstig was, maar die gevoelens verbeterden niet als hij onder de mensen kwam. Hij werd gepest door andere kinderen en kwam dan verdrietig uit school. Zijn moeder huilt als ze vertelt dat ze altijd medelijden met hem heeft gehad omdat hij ‘er nooit bij hoorde’ en dat zij en haar man jarenlang hebben geprobeerd hem aan te moedigen, maar zonder succes. Ze vraagt zich af hoe iemand kan functioneren zonder een sociaal leven.
Ze vertelt ook dat patiënt sinds de onderbouw van de middelbare school gefascineerd is door spoken, telepathie en hekserij. Hij heeft lang gedacht dat hij het effect van een aardbeving of orkaan kon beïnvloeden door eraan te denken. Hij heeft altijd ontkend dat hij middelen gebruikte en hij heeft twee drugstests gedaan in de afgelopen twee jaar, beide met een negatieve uitslag. Ze zegt dat haar grootvader jaren voor de geboorte van Henry is overleden in een ‘krankzinnigeninrichting’, maar ze weet niet wat zijn diagnose was.
Bij onderzoek wordt een lange, magere jongeman gezien, gekleed in spijkerbroek en T-shirt. Hij is alert en op zijn hoede en beantwoordt vragen direct, zij het niet spontaan. Zijn neurocognitieve functies zijn intact. Zijn intelligentie wordt bovengemiddeld geschat. Er zijn geen aanwijzingen voor auditieve of visuele hallucinaties. Zijn stemming is niet somber en er is geen sprake van suïcidale gedachten, plannen of pogingen. Anamnestisch zijn er geen paniekaanvallen, fobieën, obsessies of compulsies. Zijn score op de MMSE is 30/30.