Opeens opstandig
Stuart C. Yudofsky, MD; Robert E. Hales, MD, MBA
Alleen omdat haar ouders er zo vaak en nadrukkelijk op hebben aangedrongen, stemt de 19-jarige Emily met tegenzin in met een bezoek aan een psychiater. ‘U moet mij eigenlijk helemaal niet hebben’, verklaart ze met nadruk. ‘Die gestoorde ouders van mij hebben zelf hulp nodig.’ Emily geeft geen hoofdklacht, behalve dat haar ouders haar ‘gek’ maken. Ze voegt eraan toe: ‘Mijn leven is juist heel erg prima. Ik heb veel vrienden, ga bijna elke avond uit en ik heb altijd veel plezier.’
Terwijl Emily momenteel even pauze neemt van ‘de zogenaamde echte wereld’, studeert haar zus aan de universiteit en blinkt haar jongere broer uit op een categoraal gymnasium, terwijl haar beide ouders schik lijken te hebben in hun carrière als radioloog. Ze vraagt: ‘Denkt u ook niet dat we zo wel genoeg strebers hebben voor één gezin?’
Emily heeft het goed gevonden dat haar ouders bij de sessie aanwezig zijn, en zij vertellen een ander verhaal. Enigszins in tranen vertellen ze dat hun dochter prikkelbaar, onproductief en opstandig is geworden. Ze wordt bijna elke avond dronken en blijft vaak hele weekenden weg. Toen ze haar kamer een keer doorzochten vonden ze kleine hoeveelheden hash, alprazolam, cocaïne en stimulerende geneesmiddelen. De veranderingen in haar persoonlijkheid omschrijven de ouders als ‘een puberale nachtmerrie’ en haar vrienden noemen ze ‘losers die niets uitvoeren, behalve hun haar verven, tatoeages laten zetten en overal een hekel aan hebben’. De houding en het gedrag van Emily contrasteert aanzienlijk met dat van haar ouders en brussen. ‘We vinden het niet erg dat ze haar eigen ding doet en niet zo braaf is als de rest van het gezin,’ zegt haar vader, ‘maar het lijkt wel of we haar helemaal niet meer herkennen.’
Volgens haar ouders begon de ‘puberale nachtmerrie’ van patiënte vier jaar geleden. Blijkbaar is ze tot dan toe een leergierig meisje geweest met een goed gevoel voor humor en een grote groep ‘fantastische vriendinnen’. Maar ‘bijna van de ene op de andere dag’ is ze deze aloude vriendinnen gaan mijden ten faveure van ‘drop-outs en ontevredenen’. Ze begon dingen uit te halen als winkeldiefstal en moest op school vaak nablijven. Voorheen was ze heel nieuwsgierig om nieuwe dingen te leren, maar nu toonde ze plotseling een totaal gebrek aan interesse in alle schoolvakken en daalden haar cijfers van negens naar vieren en vijven. De ouders hebben geen idee waar die plotselinge drastische veranderingen door zijn gekomen.
Vanwege de abrupte verandering in haar schoolresultaten besluit de psychiater om patiënte te vragen een batterij aan neuropsychologische tests te doen, om de resultaten te kunnen vergelijken met die van een aantal tests die ze jaren geleden heeft gedaan voor de toelating tot een plusklasje voor hoogbegaafde leerlingen. De belangrijkste twee tests die worden afgenomen zijn de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC) en de Differentiële Aanleg Test (DAT).
Voor wat betreft de WISC zijn haar gemiddelde percentielscores gedaald van de bovenste 10% voor kinderen van 13 jaar naar de laagste 10% voor een volwassene (en de laagste 20% voor 13-jarigen). Toen Emily op 13-jarige leeftijd de DAT-test deed haalde ze op vrijwel alle onderdelen de hoogste scores die een kind in de brugklas kon halen. Haar minst goede resultaat haalde ze op spelling, waar ze het op een na hoogste niveau haalde. Bij herhaling van deze test op 19-jarige leeftijd scoort ze nu op alle onderdelen onder het gemiddelde voor middelbare scholieren.
Een eeg, CT-scan van de hersenen en T2-gewogen MRI-afbeeldingen van de hersenen geven geen anatomische hersenschade te zien. Maar een T2-gewogen MRI-scan met een bepaalde sequentie genaamd FLAIR (fluid-attenuated inversion recovery) toont een duidelijke laesie in de frontale hersenschors links, die zeer suggestief is voor een doorgemaakt letsel in dat gebied.
Bij navraag over de cruciale periode waarin patiënte lijkt te zijn veranderd, geeft ze toe dat ze in die tijd een ongeluk heeft gehad in de auto bij haar vriendje van destijds. Hoewel ze zich weinig herinnert uit die tijd, weet ze nog dat ze haar hoofd heeft gestoten en dat ze daarna nog weken erge hoofdpijn heeft gehad. Omdat ze niet bloedde en de auto niet beschadigd was, hebben zij en haar vriendje het niemand verteld. Met toestemming van patiënte neemt de psychiater contact op met de ex-vriend, die op kamers woont maar een goed geheugen heeft en coöperatief vertelt. Hij herinnert zich het ongeluk heel goed. ‘Emily’s hoofd kwam heel, heel hard tegen het dashboard van mijn auto. Ze was niet echt bewusteloos maar wel erg versuft. De eerste drie uur daarna sprak ze heel langzaam en klaagde ze dat haar hoofd veel pijn deed. Ze was ook verward. De eerste twee uur wist ze niet waar ze was, wat voor dag het was en hoe laat ze thuis moest zijn. Ik was eigenlijk heel bang, maar Emily wilde niet dat ik haar ouders bezorgd maakte, omdat die zo overbeschermend waren. Kort daarna maakte ze het uit met mij en daarna hebben we elkaar nauwelijks nog gesproken.’