Pijn en depressie

    James A. Bourgeois, OD, MD

    Manon Aalders, een 51-jarige vrouw die kapster is geweest, komt naar het psychiatrisch spreekuur op aandringen van haar huisarts. In de verwijsbrief staat dat ze in tranen en gefrustreerd was op haar laatste consult bij de huisarts, die al enige tijd haar chronische rugpijn onder controle probeert te krijgen. De huisarts leek een psychiatrisch onderzoek nuttig.

    Bij de begroeting van patiënte in de wachtkamer valt direct haar uiterlijk en manier van doen op: een vrouw met onverzorgd grijs haar en een donkere zonnebril die, gezeten in een rolstoel, een zwakke hand geeft en klaaglijk zucht voordat ze de psychiater vraagt of hij het erg vindt om haar rolstoel de spreekkamer in te duwen. Ze is moe van de lange reis in het drukke verkeer, zegt ze, en: ‘Niemand die me een helpende hand toestak op straat, snapt u dat nou?’

    Als ze eenmaal geïnstalleerd is, vertelt mevrouw Aalders dat ze al een jaar en een maand last heeft van ondraaglijke pijn in de rug. Op de avond ‘waarop alles veranderde’ had ze zichzelf buitengesloten uit haar flat. Toen ze via de brandtrap naar binnen probeerde te klimmen, was ze gevallen en daarbij had ze haar bekken, stuitbeen, rechter elleboog en drie ribben gebroken. Hoewel ze geen operatie nodig had, is ze wel zes weken bedlegerig geweest en kreeg ze daarna enkele maanden fysiotherapie. De dagelijkse medicatie tegen de pijn helpt maar gedeeltelijk. Ze heeft ‘wel tien’ artsen geconsulteerd, met verschillende specialismen, en veel behandelingen geprobeerd, waaronder injecties met anesthetica en transcutane elek­tro­neu­ro­sti­mu­la­tie (TENS), maar de pijn week niet. Gedurende dit hele traject en ook jarenlang daarvoor heeft patiënte dagelijks cannabis gebruikt. Ze licht toe dat als ze ieder uur een trekje van een joint neemt, haar pijn minder wordt en ze zich beter kan ontspannen. Ze drinkt geen alcohol en gebruikt geen andere drugs.

    Voordat ze het ongeluk kreeg, heeft patiënte ruim twintig jaar in dezelfde kapsalon gewerkt. Ze was trots op haar vaste klantenkring en ze hield van de kameraadschap met haar collega’s, die ze beschrijft als ‘mijn werkelijke familie’. Vanwege de pijn heeft ze sinds het ongeluk niet meer kunnen werken. Met zichtbare woede zegt ze: ‘Die artsen blijven maar tegen me zeggen dat ik wel weer kan werken, maar zij hebben geen idee wat ik doormaak.’ Dan breekt haar stem. ‘Ze geloven me niet. Ze denken dat ik lieg.’ Ze voegt eraan toe dat ze na het ongeluk wel hulp heeft gehad van vrienden, maar dat die de laatste tijd minder meelevend lijken te worden. Ze neemt steeds vaker de telefoon niet op en laat mensen haar voicemail inspreken, omdat ze door de pijn de energie niet heeft voor sociale dingen. Sinds een maand gaat ze niet meer dagelijks onder de douche en is ze slordiger geworden in het schoonhouden van haar appartement. Zonder haar regelmatige werktijden, merkt ze, blijft ze soms wel tot 5.00 uur ’s ochtends op. Door de pijn wordt ze geregeld wakker en uiteindelijk komt ze pas ’s middags uit bed. Voor wat betreft haar stemming zegt ze: ‘Ik ben zo depressief dat het belachelijk is.’ Ze wanhoopt vaak of het ooit nog zal lukken zonder pijn te leven, maar op de vraag of ze weleens aan zelfdoding denkt, antwoordt ze ontkennend. Ze verklaart dat haar katholieke geloof haar weerhoudt van de gedachte zichzelf van het leven te beroven.

    Patiënte heeft nooit eerder een psychiater geconsulteerd en kan zich niet herinneren dat ze voor haar ongeluk ooit depressief is geweest. Wel zegt ze dat ‘opvliegendheid’ bij haar een familietrekje is. Ze zegt dat ze maar één romantische relatie heeft gehad, jaren geleden, met een vrouw die haar psychisch mishandelde. Op de vraag naar juridische problemen antwoordt ze dat ze verschillende keren is opgepakt voor diefstal toen ze in de twintig was. Ze was toen ‘op de verkeerde plek, op het verkeerde moment’, zegt ze, en is nooit veroordeeld voor een misdrijf.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.