Verlegenheid in de adolescentie
Barbara L. Milrod, MD
Naomi is een 15-jarig meisje dat met haar moeder voor een psychiatrisch onderzoek komt, omdat zij al lange tijd erg verlegen is.
Naomi wil in eerste instantie niet veel over zichzelf kwijt, maar zegt uiteindelijk dat ze zich voortdurend gespannen voelt. Ze voegt toe dat haar angst al enkele jaren ‘heel erg’ is en dat deze vaak vergezeld gaat van episoden met duizeligheid en huilen. Over het algemeen durft zij buitenshuis niet te praten. Ze weigert alleen uit huis te gaan, omdat ze bang is dat iemand iets tegen haar zegt en dat ze daarop moet reageren. Ze is vooral heel angstig bij leeftijdgenoten, maar is ook ‘te nerveus’ geworden om met de volwassen buren te praten, die ze al jaren kent. Ze vertelt dat het voor haar onmogelijk is geworden om een snackbar binnen te stappen en ‘aan de toonbank bij een vreemde’ iets te bestellen, omdat ze bang is voor gek te staan. Ze voelt zich voortdurend op haar hoede, en heeft het gevoel dat zij moet vermijden dat ze kan worden aangevallen; deze strategie werkt eigenlijk uitsluitend als ze alleen thuis is. Patiënte probeert haar verlammende angst voor haar ouders verborgen te houden, en zegt meestal dat ze ‘gewoon geen zin heeft’ om het huis uit te gaan. Ze vertelt dat ze het gevoel heeft dat ze vastzit en niets kan, en dat ze ‘voortdurend’ aan suïcide denkt.
Naomi is altijd ‘verlegen’ geweest en werd al vanaf dat ze op de kleuterschool zat tijdens de pauzes geplaagd. Het plagen werd tegen de tijd dat ze naar de brugklas ging, regelrecht pesten. Twee jaar lang hebben haar leeftijdgenoten haar, dag na dag, als een ‘grommende meute wolven’ getergd en hebben ze haar voor ‘dom’, ‘lelijk’ en ‘gek’ uitgemaakt. Het kwam geregeld voor dat ze werd aangestaard en te horen kreeg dat ze maar beter zelfmoord kon plegen. Eén meisje (de aanvoerster van het stel en een voormalig schoolvriendinnetje) heeft Naomi een keer een blauw oog geslagen. Naomi vocht toen niet terug. Dit voorval werd door een volwassen buurman gadegeslagen en hij heeft haar moeder gewaarschuwd. Toen haar moeder haar naar dit incident vroeg, ontkende Naomi, en zei ze dat ze op straat was ‘gevallen’. Ze heeft haar moeder wel ‘tussen neus en lippen door’ gezegd dat ze naar een andere school wilde, maar deed dat op zo’n laconieke manier dat haar moeder het destijds had afgeraden. Naomi’s ellende bleef doorgaan en ze huilde zichzelf bijna iedere avond in slaap.
In de derde klas werd ze overgeplaatst naar een cultuurprofielschool en dat gaf haar veel hoop. Hoewel het pesten stopte, werden haar angstsymptomen erger. Ze had het gevoel dat ze zich nu nog minder in de publieke ruimte kon begeven en voelde zich steeds meer in verlegenheid gebracht over het feit dat ze niet zo zelfstandig durfde te worden als je van een 15-jarige zou verwachten. Ze vertelt dat ze op den duur hele weekenden in huis zat ‘opgesloten’ en dat ze zelfs te bang was om even in het nabijgelegen park te gaan zitten lezen. Ze had iedere nacht nachtmerries over de pestkoppen van haar oude school. Haar preoccupatie met suïcide nam toe.
Haar ouders dachten dat haar verlegenheid vanzelf over zou gaan en zochten pas ggz-hulp toen een leerkracht had opgemerkt dat haar angst en sociale isolement haar zo beperkten dat ze niet goed kon presteren, te weinig buitenschoolse activiteiten deed, en moeite zou hebben om een geschikte vervolgopleiding te vinden.
Naomi beschrijft haar moeder als luidruchtig, licht ontvlambaar, assertief en ‘een beetje eng’. Vader is een succesvolle belastingadvocaat die lange uren maakt. Naomi beschrijft hem als verlegen in sociale situaties (‘Hij lijkt meer op mij’). Ze vertelt dat ze weleens met haar vader grapt dat het doel van de avond was om te voorkomen dat haar moeder zou ‘flippen’. Ze voegt daaraan toe dat ze ‘nooit en te nimmer op haar moeder wil lijken’.