Overdosis
Megan Mroczkowski, MD; Cynthia R. Pfeffer, MD
Bespreking
De moeder van Hannah heeft haar in een versufte toestand aangetroffen in haar slaapkamer. De 16-jarige Hannah werd met hoge snelheid naar de eerstehulppost gebracht en daar direct geïntubeerd. Het medische team begreep eerst niet precies wat er aan de hand was en overlegde met haar ouders en haar beste vriendin, waarna ze erachter kwamen dat het opzettelijk innemen van de overdosis een acute reactie was op het feit dat patiëntes vriend met een ander meisje had gezoend. Er waren geen waarschuwingssignalen geweest. Patiënte was voor zover bekend niet somber, angstig of getraumatiseerd. Ze heeft geen voorgeschiedenis van middelenmisbruik, zelfbeschadigend gedrag of suïcidale gedachtevorming. Evenmin lijkt ze persoonlijkheidskenmerken te hebben die tot een suïcidepoging zouden kunnen predisponeren; integendeel, ze is tot nu toe een ‘vrolijke’ vriendin geweest en op school een ‘uitblinker’.
In de context van haar opname op de afdeling psychiatrie wordt vastgesteld dat patiënte opvallend en buitenproportioneel op een stressor heeft gereageerd en dat dit tot beperkingen in haar functioneren heeft geleid. Deze symptomen lijken op zichzelf te staan, dus geen deel uit te maken van een andere psychiatrische stoornis. Daarom wordt de classificatie aanpassingsstoornis met sombere stemming toegekend.
Suïcidale gedachtevorming en suïcidaal gedrag behoren niet tot de DSM-5-criteria voor de aanpassingsstoornis, en ze maken evenmin deel uit van de criteria voor vele andere stoornissen waarbij suïcidaliteit naar verhouding vaker voorkomt, zoals de posttraumatische-stressstoornis, eetstoornissen, en stoornissen in het gebruik van een middel. Suïcidaliteit is alleen voor de depressieve stoornis en de borderline-persoonlijkheidsstoornis een expliciet DSM-5-criterium. De helft van de kinderen en adolescenten die een suïcidepoging doen heeft geen voorgeschiedenis van een depressieve stoornis, en de borderline-persoonlijkheidsstoornis kan pas vanaf 18-jarige leeftijd worden gediagnosticeerd, wat kan leiden tot een lacune in de beoordeling van psychiatrische fenomenologie. Aangezien suïcide in Nederland onder adolescenten de tweede (jongens) en derde (meisjes) doodsoorzaak is, kan die lacune ertoe leiden dat een potentieel dodelijk psychiatrisch symptoom te weinig wordt opgemerkt.
In de DSM-5 wordt gepoogd dit probleem te ondervangen doordat in het hoofdstuk ‘Aandoeningen die verder onderzoek behoeven’ de suïcidaal-gedragsstoornis (SGS) is opgenomen. Als we deze rubriek erbij betrekken, voldoet patiënte zowel aan criteria voor een aanpassingsstoornis met sombere stemming als aan die voor SGS, waarvoor nog geen ICD-code bestaat maar die is bedoeld voor mensen die in de afgelopen twee jaar een suïcidepoging hebben gedaan. Deze stoornis kan nog in twee subgroepen worden onderverdeeld: als de suïcidepoging korter dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden gaat het om het actuele type van de stoornis, en als de poging één tot twee jaar geleden heeft plaatsgevonden gaat het om het type ‘in vroege remissie’. Deze classificatie is specifiek bedoeld voor mensen die daadwerkelijk een suïcidepoging hebben gedaan, en niet voor diegenen bij wie alleen sprake is van suïcidale gedachten of een plan om suïcide te plegen. Evenmin is deze categorie bedoeld voor mensen die niet-suïcidaal zelfbeschadigend gedrag vertonen. (Het DSM-5-hoofdstuk ‘Aandoeningen die verder onderzoek behoeven’ bevat tevens een classificatie niet-suïcidale zelfbeschadiging, met als criterium recidiverend zelfbeschadigend gedrag.)
SGS is een potentieel belangrijke classificatie, aangezien suïcidepogingen onafhankelijk van andere classificaties predictieve validiteit hebben voor toekomstige suïcidale gedachtevorming en suïcidale handelingen. Bovendien kan deze classificatie extra nuttig zijn in de behandeling van iemand als deze patiënte, die na een stressor (het feit dat haar vriend met een ander meisje zoende) een potentieel dodelijke overdosis innam, zonder dat er voorafgaand aan of na afloop van die overdosis sprake was van bepaalde psychiatrische symptomen.
Aangezien er geen zichtbare waarschuwingssignalen waren, was het moeilijk te voorspellen dat patiënte een overdosis zou innemen. Voor haar toekomstige therapeut kan het echter wel heel nuttig zijn om het risico op suïcide expliciet te onderzoeken. Door een classificatie SGS in het medisch dossier van een patiënt op te nemen wordt de kans vergroot dat clinici die later met patiënte te maken krijgen expliciet zullen vragen naar suïcidaal gedrag en bijbehorende preventiestrategieën en behandelingen expliciet in overweging zullen nemen. En op grotere schaal zorgt de vermelding van een classificatie over suïcidaal gedrag in een medisch dossier voor een grotere kans op hulp en preventieprogramma’s.