Moeite met doorslapen
Charles F. Reynolds III, MD
Allard Jansen is 30 jaar en promovendus Engels; hij bezoekt de praktijkondersteuner ggz van zijn huisarts (POH-GGZ) vanwege de problemen die hij ervaart met ’s nachts doorslapen. Die problemen zijn vier maanden geleden begonnen; vanaf die tijd wordt hij elke nacht om 3.00 uur wakker, hoe laat hij ook naar bed is gegaan, en kan daarna niet meer verder slapen. Hierdoor voelt hij zich overdag ‘van de wereld’. Dit heeft ertoe geleid dat hij zich nu steeds meer zorgen maakt over hoe hij, als hij zich door de uitputting niet kan concentreren, ooit zijn proefschrift zal kunnen afronden. In eerste instantie kon hij zich niet herinneren dat hij bij het wakker worden aan iets speciaals dacht. Maar naarmate het probleem langer duurde, heeft hij gemerkt dat hij op de momenten dat hij wakker ligt als een berg opziet tegen de komende dag. Hij vraagt zich dan af hoe hij het voor elkaar moet krijgen om zijn colleges te geven of zich op het schrijven te concentreren als hij maar een paar uur heeft geslapen. Sommige nachten ligt hij wakker naast zijn verloofde, die vast slaapt. Andere nachten besluit hij om van de nood een deugd te maken en op te staan om al heel vroeg naar zijn kamer op de universiteit te gaan.
Na een maand van onderbroken nachten heeft patiënt zijn huisarts bezocht, bij wie hij vaker komt voor zijn gezondheidsklachten (hij heeft astma, waarvoor hij af en toe sympathicomimetica inhaleert, en hij heeft een jaar geleden de ziekte van Pfeiffer gehad). De huisarts heeft hem een slaapmiddel voorgeschreven, dat niet hielp. ‘In slaap komen is nooit het probleem geweest’, zo legt patiënt uit. Ondertussen houdt hij zich aan de adviezen die hij op internet heeft gevonden. Hoewel hij overdag het gevoel heeft te functioneren op koffie, drinkt hij het nooit na 14.00 uur. Hij is enthousiast tennisser, maar tennist alleen ’s morgens vroeg. Bij het avondeten met zijn verloofde drinkt hij wel één of twee glazen wijn. ‘Tegen etenstijd begin ik me al zorgen te maken of ik de komende nacht zal kunnen slapen, en eerlijk gezegd helpt de wijn tegen die bezorgdheid.’
De patiënt, een slanke en sportief ogende jongeman met het uiterlijk van een jonge academicus — tweedjasje en bril met hoornen montuur — vertelt zijn verhaal open en is prettig in de omgang. Patiënt maakt geen vermoeide indruk, maar zegt tegen de POH-GGZ: ‘Ik heb expres ’s morgens een afspraak gemaakt, voordat ik instort.’ Hij ziet er niet verdrietig of gespannen uit en weet niet zeker of hij zich ooit depressief heeft gevoeld. Waar hij wel zeker van is, is de zeurende, lichte angst die hem momenteel in zijn greep heeft. ‘Het slaapprobleem is mijn leven gaan beheersen’, legt hij uit. ‘Ik ben gestrest over mijn werk, en maak ruzie met mijn verloofde. En dat komt allemaal doordat ik zo moe ben.’
Patiënt vertelt dat hij in zijn studietijd drie jaar in psychodynamische psychotherapie is geweest, bij een psychotherapeut. ‘Ik wilde alleen maar mezelf beter begrijpen’, verklaart hij, en voegt grinnikend toe dat hij er als zoon van een kinderpsychiater wel aan gewend is dat mensen denken dat hij ‘gek’ is. Voor zover hij zich herinnert is hij, voordat deze moeilijkheden zijn begonnen, altijd een ‘makkelijke slaper’ geweest; als kind was hij tijdens slaapfeestjes altijd degene die het eerst in slaap viel, en recenter benijdde zijn verloofde hem er altijd om hoe gemakkelijk hij in een vliegtuig in slaap kon vallen.