Hoofdpijn en vermoeidheid
Jennifer J. Thomas, PhD; Anne E. Becker, MD, PhD
Valerie Guzman is een 20-jarige, alleenstaande vrouw die onlangs met haar ouders vanuit Curaçao naar Nederland is gekomen om zich in te zetten voor haar geloofsgemeenschap. Ze meldt zich bij haar huisarts met klachten over veelvuldig voorkomende hoofdpijn en chronische vermoeidheid. Het lichamelijk onderzoek levert geen opvallende bevindingen op, behalve haar gewicht van 35,4 kilo bij een lengte van 1,55 m, wat een BMI (body mass index) oplevert van 14,7 kg/m2, en het feit dat ze vorige maand niet heeft gemenstrueerd. Aangezien de huisarts geen somatische oorzaken voor de symptomen van patiënte kan vinden en zich zorgen maakt over haar extreem lage gewicht, wordt patiënte doorverwezen naar de eetstoorniskliniek.
Wanneer patiënte wordt gezien voor het psychiatrisch onderzoek is ze coöperatief en vriendelijk. Ze vertelt dat ze zich zorgen maakt over haar lage gewicht en dat ze niet bang is om aan te komen of een verstoord lichaamsbeeld heeft. Ze zegt hierover: ‘Ik weet dat ik moet aankomen. Ik ben te mager.’ Patiënte vertelt dat ze voordat ze naar Nederland kwam 44 kilo woog en dat ze zich ‘opgelaten’ voelt als familieleden en zelfs onbekenden tegen haar zeggen dat ze te mager is. Verder valt op dat iedereen bij haar in huis een normaal gewicht heeft of te zwaar is.
Hoewel patiënte dus aangeeft gemotiveerd te zijn om iets aan haar ondervoede toestand te doen, blijkt uit wat ze vertelt over haar eetpatroon dat ze slechts zeshonderd calorieën per dag consumeert. Zo heeft ze de dag voor dit onderzoek alleen een klein kommetje macaroni, een bord gestoomde broccoli en een kopje zwarte bonen gegeten. Ook haar vochtinname is behoorlijk beperkt; meestal drinkt ze slechts twee of drie glazen water per dag.
Patiënte draagt meerdere redenen aan voor het feit dat ze zo weinig eet. De eerste is een gebrek aan eetlust: ‘Mijn brein geeft niet eens het signaal dat ik honger heb’, zegt ze. ‘Ik heb de hele dag geen zin om te eten.’ De tweede reden is dat ze na de maaltijd een opgeblazen gevoel heeft en misselijk is: ‘Ik voel me gewoon niet zo lekker na het eten.’ De derde reden is de beperkte keuze aan voedingsmiddelen die zijn toegestaan in haar godsdienst, die een vegetarisch dieet voorstaat. ‘Mijn lichaam is niet werkelijk van mij. Het is een tempel’, zo legt ze uit. De vierde reden is dat de bronnen van vegetarische proteïnen waarnaar haar voorkeur uitgaat (bijvoorbeeld tofu, vleesvervangers) binnen haar beperkte budget te duur zijn. Patiënte heeft de middelbare school niet afgemaakt en verdient heel weinig als secretarieel medewerkster bij haar geloofsgemeenschap.
Patiënte antwoordt ontkennend op vragen naar andere symptomen van verstoord eten, zoals eetbuien, purgeren of ander gedrag met afvallen als doel. Alleen op de vraag over lichaamsbeweging vertelt ze dat ze ongeveer drie tot vier uur per dag wandelt. Ze zegt dat die activiteit niet wordt gemotiveerd door de wens om calorieën te verbranden. Dit doet zij, aldus patiënte, omdat ze geen auto heeft, niet kan fietsen en er een hekel aan heeft om op de bus te moeten wachten. Daarom gaat zij altijd te voet naar haar werk en vrijetijdsactiviteiten.
Afgezien van haar inadequate voedselinname en excessieve lichamelijke activiteit, heeft patiënte geen opvallende psychiatrische symptomen. Ze lijkt goed gestemd en meldt geen klachten van depressiviteit. Ze gebruikt geen alcohol of drugs. Ze kan zich slecht concentreren, maar hoopt dat haar geheugen zal verbeteren door een plantaardig voedingssupplement dat ze kortgeleden is begonnen te gebruiken. Op vragen over eerdere behandelingen vertelt ze dat ze een jaar geleden korte tijd een diëtiste heeft bezocht, toen haar familie begon te ‘zeuren’ over haar lage gewicht, maar dat ze hier geen baat bij heeft gehad.