Suïcidale preoccupaties
Maria A. Oquendo, MD
Odette Jacobs, een 22-jarige masterstudente architectuur, komt via een urgente verwijzing bij de psychiater nadat ze een huisgenoot heeft verteld dat ze suïcidaal is. Patiënte heeft een voorgeschiedenis met stemmingssymptomen die goed onder controle waren met lithium en sertraline, maar kort nadat zij drie maanden geleden voor haar studie in een andere stad is gaan wonen, zijn de depressieve klachten weer teruggekomen. Ze is gepreoccupeerd geraakt met manieren waarop zij zichzelf van het leven kan beroven zonder daarbij anderen tot last te zijn. Een van haar overheersende suïcidegedachten is bijvoorbeeld dat ze zichzelf door het hoofd schiet terwijl ze uit het raam hangt, om het studentenhuis niet vies te maken. Hoewel ze helemaal niet aan een vuurwapen kan komen, heeft ze lange tijd op het internet gezocht naar mogelijkheden om er een te kopen.
De psychiatrische voorgeschiedenis van patiënte is begonnen op 15-jarige leeftijd; ze begon toen met regelmaat alcohol te drinken en marihuana te roken, meestal tijdens het uitgaan met vrienden. Deze middelen maakten haar rustiger, en volgens haarzelf heeft het gebruik van beide middelen niet tot enig probleem geleid. Sinds ze is begonnen met haar masterstudie heeft ze geen alcohol of marihuana meer gebruikt.
Rond de leeftijd van 17 jaar begon ze kortdurende hevige depressieve episoden te ervaren, gekenmerkt door huilen, schuldgevoelens, anhedonie, hopeloosheid, weinig energie en zich slecht kunnen concentreren. Ze sliep meer dan twaalf uur per dag en kwam haar verantwoordelijkheden, zowel op school als thuis, niet na.
Na een paar weken veranderden deze depressieve episoden meestal in perioden waarin ze meer energie en spreekdrang had en buitengewoon creatief was. Ze bleef het grootste gedeelte van de nacht wakker om aan projecten te werken en architectonische maquettes te bouwen. Deze episoden, waarin ze op volle toeren draaide, duurden meestal een dag of vijf waarin zij ook geregeld het gevoel had dat haar vrienden zich tegen haar keerden of dat ze helemaal geen vrienden waren. Haar naasten, die zich vooral over haar achterdocht zorgen maakten, hebben haar naar een psychiater gebracht, die had vastgesteld dat zij een bipolaire-II-stoornis had, waarvoor zij lithium en sertraline kreeg voorgeschreven. Hoewel de stemming van Odette met deze behandeling niet volledig stabiliseerde, kon ze aan de universiteit goed genoeg functioneren om ingeloot te worden voor een uitwisselingsprogramma, waarvoor ze een tijdje ver van huis moest wonen. Op dat moment werd zij weer depressief, en werd ze voor het eerst ernstig suïcidaal.
Bij onderzoek is patiënte zichtbaar somber, huilerig en psychomotorisch vertraagd. Behalve concentratieproblemen, zijn er verder geen bijzonderheden te melden over de neurocognitieve functies (niet getest). Ze heeft geen psychosesymptomen. Anamnestisch is er sprake van depersonalisatie (zonder derealisatie). Ze heeft een hopeloze stemming met een diep gevoel van leegte en schuldgevoelens omdat haar studie de familie geld kost terwijl ze niet goed kan functioneren. Er is geen sprake van stemmingsschommelingen. Patiënte moet bijna voortdurend aan suïcide denken en kan nergens afleiding in vinden. Ze heeft soms paniekaanvallen. Ze komt moeilijk uit bed en slaagt er meestal niet in om naar college te gaan. Alcohol of marihuana gebruikt ze niet (‘Ik ben niet in een feeststemming’). Ze maakt soms oppervlakkige snijwonden in haar armen om te ervaren ‘hoe dat voelt’, maar is zich ervan bewust dat deze snijwonden niet levensbedreigend zijn. Verder zijn er geen problemen met de impulsbeheersing. Patiënte toont geen zorgen over haar identiteit of verlatingsangst.