Post-partumsomberheid
Kimberly A. Yonkers, MD; Heather B. Howell, MSW
Bespreking
Yüksel Peynirci komt binnen met een sombere stemming, weinig energie en verminderde slaap, psychomotorische vertraging, schuldgevoelens en een slechte tenaciteit van de aandacht. De casus vermeldt niets over haar eetlust, haar vermogen om plezier te ervaren of de aanwezigheid van gedachten over de dood, maar ze voldoet duidelijk aan meer dan de vereiste vijf van in totaal negen symptomen voor de DSM-5-classificatie depressieve stoornis. Factoren die hieraan bijdragen zijn haar recente bevalling, een familieanamnese met depressiviteit en meerdere psychosociale stressoren, zoals gebrek aan ondersteuning van haar man, financiële zorgen, een baby met krampjes, een levendige dreumes en geen familie in de buurt.
De casus is er niet heel duidelijk over, maar het lijkt erop dat patiënte gedurende haar zwangerschap significante depressieve symptomen heeft gehad en dat ze niet zozeer naar een psychiater werd verwezen omdat de depressiviteit ineens verergerde, maar omdat deze door een hulpverlener, de verloskundige, werd gesignaleerd. Wanneer patiënte pas somber zou zijn geworden na de bevalling, was zij niet in aanmerking gekomen voor de depressieve stoornis omdat de symptomen dan niet de vereiste twee weken zouden hebben geduurd. In dat geval zou een aanpassingsstoornis met sombere stemming meer voor de hand hebben gelegen. Bij een begin post partum zou zij bovendien meer risico hebben gehad op een bipolaire- dan op een unipolaire-stemmingsstoornis. Wat tegen een bipolaire-stemmingsstoornis pleit is dat zij niet bekend is met manische of psychotische symptomen en er zijn ook geen stemmingsepisoden in haar persoonlijke anamnese of bipolaire-stemmingsstoornissen in haar familieanamnese. Het feit dat de bevalling als luxerende factor fungeerde en haar symptomen verergerde, verhoogt echter wel degelijk haar risico om een bipolaire-stemmingsstoornis te ontwikkelen.
Als patiënte gedurende haar hele zwangerschap een sombere stemming heeft gehad en dit plotseling na de bevalling verergerde, zouden haar symptomen kunnen worden opgevat als een beperkte depressieve stoornis (in de DSM-5 geclassificeerd als andere gespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis) en niet zozeer als een volledige depressieve stoornis.
Uitgaande van de beschikbare informatie uit de anamnese, lijkt het er meer op dat patiënte gedurende haar hele zwangerschap significante depressieve symptomen had. Ze vertelt dat zij zich ‘ongerust’ heeft gevoeld, ‘niet enthousiast’ was, en ‘te moe’ was om te werken. Dit is voor een depressieve stoornis geen ongewoon beloop, aangezien de helft van de vrouwen bij wie na de bevalling sprake is van depressiviteit, al tijdens de zwangerschap depressief was. In de DSM-5 is de specificatie ‘met begin peri partum’ opgenomen voor vrouwen die tijdens of kort na een zwangerschap een stemmingsstoornis ontwikkelen. Patiënte vreest ook dat haar kind haar afwijst en dat haar huidige situatie een straf is. Deze bezorgdheid lijkt eerder een overwaardig denkbeeld dan een waan, maar het zou verstandig zijn om nader onderzoek naar psychotische denkbeelden te doen.
Daarnaast is het bij iedereen die symptomen heeft van een depressieve stoornis belangrijk om het suïciderisico te beoordelen. Patiënte antwoordt ontkennend op vragen naar deze symptomen, maar het kan van belang zijn om elke gedachte die zij heeft over de dood, over hoe haar gezin beter af zou zijn zonder haar, of dat haar kinderen maar beter dood kunnen zijn, uit te vragen.
Het is belangrijk om het subtype van de depressieve stoornis aan te duiden, omdat veel vrouwen met subsyndromale depressieve symptomen een paar weken na de bevalling spontaan opknappen. Dit kan zelfs gebeuren zonder dat een formele behandeling heeft plaatsgevonden. Om die reden, en ook omdat veel vrouwen borstvoeding willen blijven geven, kan de behandeling in eerste instantie misschien eerder psychologisch dan farmacologisch van aard zijn.