Longkanker
Anna Dickerman, MD; John W. Barnhill, MD
De aan een groot ziekenhuis verbonden psychiatrische consultatieve dienst is ingeschakeld om ‘depressie uit te sluiten’ bij mevrouw Gabriela Trentino, een vrouw van 65 jaar met recidiverende longkanker, nadat tijdens de ochtendrondes is gebleken dat zij een verdrietige stemming heeft en veel huilt.
Patiënte is een weduwe van Italiaanse afkomst, huisvrouw en moeder van twee volwassen zoons. Ze is kortgeleden in het ziekenhuis terechtgekomen met klachten van kortademigheid. Na onderzoek bleek ze een eenzijdige pleurale effusie te hebben. Patiënte heeft de afgelopen maanden meerdere chemotherapiekuren gehad. Op het moment dat de psychiater wordt geconsulteerd is zij in afwachting van de uitslagen van een thoraxpunctie, verricht om te kunnen bepalen of er sprake is van longmetastasen.
In aparte gesprekken met patiënte en met haar zonen zijn alle partijen het erover eens dat zij tot deze ziekenhuisopname nooit opvallend somber of angstig is geweest, maar in het gezin juist altijd de ‘rots in de branding’ was. Ze is nooit eerder in therapie geweest, en heeft nooit alcohol, opioïden of illegale drugs gebruikt. In haar familieanamnese valt het excessieve alcoholgebruik van haar vader op, dat voor haarzelf aanleiding was om nooit alcohol te willen drinken.
Bij onderzoek wordt een goed verzorgde vrouw gezien, die rechtop in bed zit met een zuurstofbuisje in haar neus. Ze is coöperatief. Ze wringt in haar handen en veegt met een nat zakdoekje haar betraande ogen af. Ze kan zich moeilijk concentreren, maar van cognitieve problemen lijkt geen sprake te zijn, en haar score op de Mini-Mental State Examination (MMSE) bedraagt 29/30 punten; de enige fout betreft het onjuist herinneren van één woord na 5 minuten. Haar denken is coherent. Ze is zichtbaar verdrietig, en haar affect is beklemd en bezorgd. Ze maakt zich extreem veel zorgen over de op handen zijnde thoraxpunctie. Ze weet dat metastasen een ‘doodvonnis’ kunnen betekenen, en zegt: ‘Ik wil blijven leven voor de bruiloft van mijn zoon, later dit jaar.’ Huilend voegt ze hieraan toe: ‘Ik heb al zo veel meegemaakt met deze ziekte… wanneer houdt dit op?’ Patiënte slaapt slecht sinds ze vijf dagen geleden in het ziekenhuis is opgenomen en zich moeilijk kan concentreren. Ze heeft de afgelopen dagen minder gegeten dan normaal. En ze vertelt dat ze ‘te verdrietig en ongerust’ was om haar dagelijkse kruiswoordpuzzel te maken. Ze zegt stellig geen suïcidale gedachten te hebben en benadrukt nogmaals haar liefde voor haar twee kinderen.
Neurologisch onderzoek levert geen opvallende zaken op. Wat betreft het aanvullend onderzoek valt op dat haar zuurstofsaturatie 94% is (met de neuscanule gecorrigeerd tot 99%) en dat de longfoto een grote linkszijdige pleurale effusie toont. De labwaarden leveren verder geen afwijkingen op. Verder vertellen de verpleegkundigen dat patiënte vaak belt met vragen over de medicatie en details over het onderzoek.
In het gesprek met haar zoons blijkt hun terechte bezorgdheid over de gezondheid van hun moeder, en dat ze gefrustreerd zijn over haar psychische toestand. Zoals een van de zoons de consulterend psychiater vertelt: ‘We begrijpen dat dit een stressvolle periode is voor mama, maar het enige wat ze in het ziekenhuis doet, is de hele dag huilen en ons aan één stuk door vragen stellen. Meestal is zij de steunpilaar van de familie en nu is ze klagerig en pessimistisch. Kunt u hier iets aan doen?’