Longkanker
Anna Dickerman, MD; John W. Barnhill, MD
Bespreking
Mevrouw Trentino vertoont een beeld van depressieve en angstige symptomen die duidelijk in tijd samenhangen met een belangrijke stressor (hernieuwde ziekenhuisopname voor kanker met progressie van de ziekte). Patiënte, haar familie en het ziekenhuispersoneel geven aan dat dit beeld klinisch significant is en een negatieve invloed heeft op haarzelf en het verblijf in het ziekenhuis. De meest voor de hand liggende DSM-5-classificatie is aanpassingsstoornis met gemengd angstige en sombere stemming.
Behalve een aanpassingsstoornis zijn er diverse andere mogelijke classificaties. Het medische team vraagt zich bezorgd af of patiënte een depressie heeft. Ze vertoont inderdaad vier objectieve en subjectieve symptomen van een depressieve stoornis (sombere stemming het grootste gedeelte van de dag, verminderde eetlust, insomnia en moeite met concentreren) die een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van haar leven. Om te voldoen aan de DSM-5-criteria voor een depressieve stoornis moet iemand echter gedurende twee weken vijf symptomen van depressie vertonen, en patiënte heeft slechts vier symptomen die pas een aantal dagen geleden zijn begonnen. Mochten haar symptomen iets sterker worden en persisteren, komt patiënte waarschijnlijk wel in aanmerking voor een classificatie depressieve stoornis.
Daarnaast is er sprake van significante angst. Patiënte vertelt dat ze zich moeilijk kan concentreren, zich gespannen voelt en slecht slaapt. Naar eigen zeggen heeft patiënte tot het moment dat ze werd geconfronteerd met de sinds kort potentieel levensbedreigende ziekte nooit eerder angst in deze hoge mate gekend. Het acute karakter van de angst maakt een onderliggende angststoornis onwaarschijnlijk.
Het voorkomen van hersenmetastasen en het paraneoplastisch syndroom is niet ongewoon bij longkanker en deze zouden angst en depressie kunnen veroorzaken. Voor beide maligne complicaties geldt echter dat ze zelden voorkomen zonder dat er sprake is van neurologische afwijkingen en een delirium. In overleg met de neuroloog en de oncoloog zou een hersenscan en/of paraneoplastisch onderzoek kunnen worden overwogen.
Mogelijk heeft de hypoxemie van patiënte — waarschijnlijk als gevolg van haar pleurale effusie — aan haar angst bijgedragen. Die angst is weliswaar niet verdwenen nadat haar zuurstofsaturatie is gecorrigeerd, maar een ontregelde oxygenatie kan vaak angst veroorzaken.
Ook geneesmiddelen kunnen angst en depressie veroorzaken. Het team dient de hele medicatielijst van patiënte hierop te controleren, maar er moet vooral gedacht worden aan steroïden, opioïden en benzodiazepinen.
De aanpassingsstoornis is nu ingedeeld in het nieuwe hoofdstuk over psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen. Een levensbedreigende ziekte is een voorbeeld van zo’n stressor. Om in aanmerking te komen voor de classificatie acute stressstoornis zouden de symptomen van patiënte ernstiger moeten zijn. Voor de classificatie posttraumatische-stressstoornis zouden ze niet alleen ernstiger moeten zijn, maar ook langer dan één maand moeten duren.
Mochten de zorgen van patiënte haar behandeling in de weg gaan staan, dan komt ze wellicht in aanmerking voor een extra DSM-5-classificatie: psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden. Tot dusverre heeft ze echter wel goed meegewerkt aan de behandeling.