Bernadette Klein is een 34-jarige gescheiden en werkloze moeder van drie kinderen in de schoolgaande leeftijd. Ze woont samen met een nieuwe partner. Mevrouw Klein raadpleegt een psychiater vanwege angst en slaperigheid.
Patiënte is al een groot deel van haar leven bekend met angstklachten, maar haar bezorgdheid en stress zijn sinds de geboorte van haar eerste kind, tien jaar geleden, veel erger geworden. Ze vertelt dat het ‘thuis wel gaat’ maar dat ze angstig is in sociale situaties. Ze vermijdt situaties waarin ze met nieuwe mensen moet omgaan, uit vrees om zichzelf in verlegenheid te brengen of negatief te worden beoordeeld. Ze wil bijvoorbeeld de kilo’s die ze is aangekomen na de geboorte van haar kinderen graag kwijt (haar huidige BMI bedraagt 27,7), maar is uit angst te worden uitgelachen nooit naar de sportschool gegaan. Langzamerhand heeft ze zich steeds meer teruggetrokken uit situaties waarin ze gedwongen zou kunnen worden om nieuwe mensen te ontmoeten, waardoor het voor haar bijna onmogelijk werd om te solliciteren naar een nieuwe baan, laat staan naar haar werk te gaan. Vijf jaar geleden is ze met succes behandeld voor haar sociale fobie, met psychotherapie, een selectieve serotonineheropnameremmer (SSRI), en tweemaal daags 0,25 mg clonazepam, maar het afgelopen jaar zijn haar klachten teruggekomen. Ze zegt dat ze niet de dosering van haar medicijnen heeft verhoogd of een ander middel (op recept of vrij verkrijgbaar) voor haar angst gebruikt. Hoewel ze heel blij is met haar nieuwe relatie, maakt ze zich zorgen dat haar nieuwe vriendin haar zal verlaten als ze niet ‘aan zichzelf gaat werken’.
Patiënte zegt geen perioden van significante depressiviteit te hebben gekend, al vertelt ze wel meermalen perioden te hebben gehad waarin ze zich gefrustreerd voelde over haar gebrek aan persoonlijke effectiviteit. Ook op vragen naar manische symptomen antwoordt ze ontkennend.
De psychiater vraagt patiënte vervolgens naar haar ‘slaperigheid’. Ze vertelt dat ze meer slaapt dan ieder ander die ze kent. Patiënte vertelt dat ze meestal minstens negen uur per nacht slaapt en dat ze daarnaast overdag nog twee keer slaapt, in totaal vijf uur. Tot het examenjaar van de middelbare school herinnert ze zich geen problemen met slapen, maar vanaf die tijd begon ze met ’s avonds rond 20.00 uur of 21.00 uur naar bed te gaan en elke dag een middagdutje te doen. Toen ze probeerde met een universitaire studie te beginnen, merkte ze hoeveel meer slaap ze nodig had dan haar vrienden, en uiteindelijk is ze met haar studie gestopt omdat ze niet wakker kon blijven in de collegezaal. Ondanks het feit dat ze overdag nog twee keer gaat slapen, valt ze vaak ook in slaap als ze op bezoek is bij vrienden of familie en tijdens het lezen of tv-kijken. Uit vrees om achter het stuur in slaap te vallen is ze gestopt met alleen autorijden. De dutjes in de namiddag geven haar geen uitgerust gevoel en hebben klaarblijkelijk geen invloed op het ’s avonds in slaap vallen.
Een gezin grootbrengen is moeilijk voor haar, en patiënte heeft het vooral ’s ochtends zwaar. Na het ontwaken is ze minstens nog een halfuur gedesoriënteerd en warrig, waardoor ze er moeite mee heeft om haar kinderen op tijd naar school te krijgen. Vervolgens voelt ze zich de hele dag ‘verstrooid en duf’.
Vijf jaar geleden is gebleken dat patiënte snurkt. Haar partner weet niet zeker of patiënte daarnaast ook af en toe stopt met ademen in haar slaap. Patiënte zegt geen slaapverlamming te hebben en nooit al pratend plotseling in slaap te zijn gevallen. Hoewel ze dus weleens in slaap valt tijdens sociale bijeenkomsten, gebeurt dit meestal op momenten dat het gesprek even stilvalt, terwijl zij in een rustig hoekje op de bank zit. Ze zegt nooit te zijn gevallen terwijl ze in slaap viel. Ze vertelt dat ze al sinds haar tienerjaren een paar keer per jaar hypnopompe hallucinaties heeft.
Bij onderzoek wordt een vrouw met overgewicht gezien die zich coöperatief opstelt en samenhangend vertelt. Ze maakt zich zorgen om haar angst, maar wordt vooral in beslag genomen door haar slaapprobleem. Haar geheugen, ziektebesef en oordeelsvermogen lijken intact. Er zijn geen aanwijzingen voor psychose, depressiviteit of suïcidaliteit.
Er is geen voorgeschiedenis van hoofdtrauma en ongebruikelijke ziekten. Ook de familieanamnese voor slaap- of stemmingsproblemen is blanco; wel zijn meerdere familieleden volgens haar ‘angstig’. In haar somatische voorgeschiedenis is alleen sprake van hypercholesterolemie en af en toe migraineaanvallen. Patiënte heeft wel wat spierklachten, zoals zwakte in haar benen en pijn in haar linkerarm. Die zijn inspanningsgerelateerd. Om de pijn tegen te gaan heeft ze af en toe cannabis gerookt, maar ze denkt niet dat de cannabis een belangrijke factor kan zijn geweest in het ontstaan van haar slaperigheid.
Patiënte wordt doorverwezen voor slaaponderzoek. Uit de polysomnografie blijkt een apneu-hypopneu-index van drie per uur. De volgende dag ondergaat patiënte een multipele slaaplatentietest (MSLT), die een gemiddelde slaaplatentie oplevert van zeven minuten met tijdens het inslapen één remslaapperiode. Om de hypocretine-1-gehaltes in de liquor cerebrospinalis te bepalen wordt een lumbaalpunctie gedaan; het gehalte blijkt binnen de normale waarden te vallen.