Een post-partumomslag
Ian Jones, MRCPsych, PhD
Ulla Nieuwkoop, een 32-jarige verpleegkundige, wordt zes dagen na haar bevalling binnengebracht op de spoedeisende-hulpafdeling (SEH). Volgens haar man was zij zich heel vreemd gaan gedragen en was ze ervan overtuigd geraakt dat ze haar baby door verstikking om het leven had gebracht.
Hij vertelt dat patiënte na een normale zwangerschap en een ongecompliceerde bevalling in het ziekenhuis blij en gelukkig met hun eerste kind naar huis was gekomen. Op de derde dag na de bevalling waren haar stemming en affect echter vrij plotseling afwisselend uitgelaten en huilerig geworden. Ze werd prikkelbaar en angstig. ’s Nachts sliep ze maar een uurtje, zelfs wanneer haar baby wel sliep. Haar gedrag werd steeds bizarder, met hyperactiviteit en agitatie. Ze sprak snel en wijdlopig. Hoewel ze voorheen niet godsdienstig was, raakte ze ervan overtuigd dat God via haar sprak en dat ze speciale krachten had waarmee alle problemen van de wereld konden worden opgelost. Ze had haar man verteld dat ze kon zien wie ‘slecht’ is, door mensen in hun ogen te kijken, en was erg bang geworden dat ze door slechte mensen werd omringd, onder wie haar eigen moeder. Wat haar het meest verontrustte was dat ze, iedere keer als ze haar zoon niet kon zien, er volledig van overtuigd was dat ze hem had gesmoord, en niemand kon haar op andere gedachten brengen.
Patiënte heeft een voorgeschiedenis met drie eerdere depressieve episoden in haar tienerjaren en als jonge twintiger. Deze episoden zijn met behulp van psychotherapie en antidepressiva verholpen. Drie jaar voor de geboorte van haar kind is zij na een intercontinentale vliegreis opgenomen geweest wegens een manie. Na een behandeling met antipsychotica is zij een aantal maanden depressief geweest. Hoewel de mogelijkheid van een bipolaire-stemmingsstoornis destijds is overwogen, wilde ze deze classificatie niet accepteren en weet ze de episode zelf aan stress en een jetlag. Omdat ze zwanger wilde worden, was ze gestopt met de psychiatrische medicatie.
De moeder van patiënte is kort na de geboorte van haar eerste kind in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen geweest. Over deze episode is in het gezin nooit gesproken en er zijn verder nauwelijks details over bekend. Verder zijn er geen bijzonderheden in de familieanamnese.
Tot vlak voor de geboorte van haar kind was patiënte een goed functionerende verpleegkundige op een afdeling nefrologie. Haar man is hoofd van een verkoopafdeling en ze hebben een comfortabel leven. Zij heeft nooit drugs gebruikt en haar alcoholconsumptie was, totdat ze zwanger werd, niet meer dan twee of drie eenheden per week.
Bij het status-mentalisonderzoek wordt een onrustige patiënte gezien, die door de kamer heen en weer loopt en blijkbaar hooguit maar even kan blijven zitten. Haar aandacht is moeilijk te trekken, ze is verhoogd afleidbaar en ze lijkt zich slecht te kunnen concentreren, maar wil niet meewerken aan cognitief testonderzoek. Ze is zeer spraakzaam en vertoont verschijnselen van gedachtevlucht, waarbij ze van het ene onderwerp op het andere springt. Er is zeker sprake van wanen, maar over de meeste wil ze niets tegen de onderzoeker zeggen. Haar affect is labiel: als ze spreekt over de overtuiging dat ze haar eigen kind heeft vermoord moet ze heftig huilen, maar na een paar minuten verandert dit weer in een geprikkelde euforie, waarbij ze snel geïrriteerd is als ze het gevoel heeft dat ze niet wordt begrepen. Zij heeft geen suïcidale of homicidale plannen.
De bevindingen van het lichamelijk onderzoek en de laboratoriumonderzoeken zijn alle normaal.