Lukas Severijn, een 32-jarige landschapsarchitect, komt bij de psychiater in verband met zijn boosheid. Zijn vrouw, de moeder van hun twee jonge kinderen, is meegekomen. Het stel is het eens dat het ‘haast onmogelijk is om met hem te leven’. De vrouw van patiënt vertelt dat ze haar man altijd al erg gespannen vond, maar de uitbarstingen komen de laatste tijd vaker voor en zijn heviger geworden. Ze maakt zich zorgen dat hij haar iets aan zal doen.
Hun recentste ruzie begon toen patiënt thuiskwam ‘na een dag hard werken’ en het eten nog niet klaar was. Toen hij de keuken binnenkwam en zag dat zijn vrouw de krant zat te lezen ‘explodeerde’ hij en begon hij een tirade af te steken over dat zij ‘een waardeloze echtgenote’ was. Toen zijn vrouw probeerde uit te leggen dat zij ook een lange dag achter de rug had, schold hij haar uit en brak hij enkele glazen en een keukenstoel. Hevig geschrokken rende zijn vrouw de keuken uit, nam de kleintjes mee en verdween naar het huis van haar moeder, die een paar kilometer verderop woont. De volgende dag liet ze haar man weten dat hij onmiddellijk hulp moest zoeken of anders een scheiding kon verwachten.
Patiënt vertelt dat zijn ‘ontploffingen’ in zijn kindertijd zijn ontstaan, maar dat ze vóór hij 13 jaar was nooit ‘problematisch’ voor hem zijn geweest. Rond die tijd raakte hij geregeld met klasgenoten in een gevecht verwikkeld, waarvoor hij nogal eens bij het schoolhoofd moest verschijnen. Tussen deze incidenten door was hij sociaal actief en een goede student.
Volgens patiënt heeft hij in de afgelopen paar jaar ongeveer vier verbale uitbarstingen per week gehad, meestal in reactie op een frustratie, onverwachte eisen van anderen of na een door hem als zodanig ervaren belediging. Naast deze verhitte verbale knokpartijen zegt patiënt ook ongeveer om de twee maanden gewelddadige dingen te doen; hij heeft bijvoorbeeld een computermonitor door de kamer gesmeten toen die ‘niet mee wilde werken’. Ook heeft hij een gat in de muur geslagen toen zijn kinderen niet wilden stoppen met huilen en zijn mobiele telefoon vernield toen hij ruzie had met zijn moeder. Hij zegt dat hij sinds zijn adolescentie niet meer heeft gevochten, maar hij is wel bijna met een buurman op de vuist gegaan en ook met diverse onbekenden en met zijn medewerkers. Het idee dat hij iemand fysiek letsel zou kunnen toebrengen, vindt patiënt ‘tot op het bot’ beangstigend.
Zijn uitbarstingen hebben veel schade aangericht in relaties met collega’s en zijn romantische relaties en hebben er uiteindelijk toe geleid dat hij op 25-jarige leeftijd als landschapsarchitect met zijn eigen bedrijf is gestart. Het gaat goed met het bedrijf, ondanks dat hij veeleisend is en om het minste of geringste kwaad wordt, waardoor zijn personeelsverloop behoorlijk hoog is.
Volgens patiënt zijn de episoden kortstondig, bereiken ze binnen enkele seconden een piek en duren ze zelden langer dan een paar minuten. Tussen de episoden door voelt hij zich naar eigen zeggen ‘prima’. Hij heeft korte perioden met een sombere stemming en toegenomen angst gehad, maar deze hebben hem niet significant beperkt en ze waren meestal binnen een week weer verdwenen. Patiënt is een sociaal drinker, maar noch hijzelf, noch zijn vrouw denkt dat de uitbarstingen met alcohol te maken hebben. Hij heeft in het verleden met diverse drugs geëxperimenteerd, maar heeft dat in recente jaren niet meer gedaan.
Volgens patiënt zijn er minstens nog twee naaste familieleden die significante ‘problemen met boosheid’ hebben. Zijn vader heeft hem emotioneel mishandeld, was perfectionistisch en verwachtte ‘grootse prestaties’ van zijn enige zoon. Ook de oudste zus van patiënt had problemen met haar woede. Volgens hem zijn al haar drie scheidingen te wijten aan haar manipulatieve en kwetsende gedrag.
Bij onderzoek wordt een vlot geklede man gezien die coöperatief is. Hij maakt zich zorgen over zijn gedrag en voelt zich schuldig tegenover zijn vrouw. Zijn cognitieve functies zijn intact, evenals zijn ziektebesef en oordeelsvermogen. Er zijn geen aanwijzingen voor psychose of depressiviteit. Gedachten over zelfbeschadiging of het toebrengen van letsel aan anderen worden ontkend.