Overdosis
Megan Mroczkowski, MD; Cynthia R. Pfeffer, MD
Hannah is een Nederlands meisje van 16 jaar zonder psychiatrisch verleden dat bij een post voor spoedeisende hulp terechtkomt na het innemen van een overdosis van een onbekende hoeveelheid clonazepam, alprazolam en oxycodon. Bij binnenkomst heeft zij een score van 8 op de Glasgowcomaschaal, die aangeeft dat haar toestand ernstig is. Ze wordt geïntubeerd en opgenomen op de pediatrische intensivecareafdeling. Nadat haar toestand in de loop van enkele dagen is gestabiliseerd, wordt ze overgeplaatst naar de psychiatrische afdeling.
Patiënte, haar ouders en haar beste vriendin vertellen dat patiënte tot de avond van de overdosis ongebruikelijk positief gestemd was. Die avond was ze gebeld door een vriendin die haar vertelde dat zij de vriend van patiënte een ander meisje had zien zoenen. Patiënte reageerde hier direct op door een briefje te schrijven waarin ze vertelde dat ze ‘alleen maar voor altijd wilde slapen’. Drie uur later vond haar moeder haar in verdoofde toestand in haar slaapkamer en belde 112.
Bij doorvragen over de bijna-dodelijke overdosis blijkt dat patiënte tien minuten voordat ze de overdosis innam gedachten over dood willen heeft gekregen, dat ze weleens heeft gehoord dat dit een vredige manier is om te sterven en dat ze dankbaar is dat ze wakker is geworden.
In de psychiatrische voorgeschiedenis is er geen sprake van depressiviteit, suïcidale gedachten, zelfbeschadigend gedrag, manie of psychose. Patiënte heeft nooit eerder contact gehad met een psychiater en is nooit opgenomen geweest. Ze zegt geen sigaretten, alcohol, cannabis of andere illegale drugs te gebruiken en is naar eigen zeggen nooit in aanraking geweest met justitie. Ook somatische klachten heeft ze niet.
Patiënte woont samen met haar ouders en haar twee jongere zusjes. Ze zit in de vijfde klas van de middelbare school en behoort daar tot de uitblinkers. Ze wil graag arts of advocaat worden. Haar beste vriendin vertelt dat patiënte eerder die dag nog gewoon vrolijk was. De psychiatrische familieanamnese vermeldt een angststoornis bij moeder, die hiervoor clonazepam en alprazolam krijgt. Ook heeft moeder tijdens haar late adolescentie twee suïcidepogingen gedaan door een overdosis medicijnen in te nemen. Patiëntes vader heeft chronische rugpijn als gevolg van een sportblessure die hij in zijn jeugd heeft opgelopen, en slikt daarvoor oxycodon. In de anamnese van de verdere familie is er een oom van vaderskant met middelenmisbruik. Niemand in de familie heeft suïcide gepleegd. Bij het psychiatrisch onderzoek worden, afgezien van haar verdrietige stemming, geen psychopathologische symptomen vastgesteld.
Patiënte krijgt de classificatie aanpassingsstoornis met sombere stemming. Voordat ze wordt ontslagen zegt ze geen suïcidale gedachten te hebben, en ze wordt bij haar ontslag zonder psychotrope medicatie overgedragen voor ambulante behandeling op de polikliniek psychiatrie van het ziekenhuis. Ze krijgt cognitieve gedragstherapie, waarin vooral wordt gewerkt aan copingvaardigheden bij boosheid of teleurstelling. Na zes maanden behandeling wordt er vastgesteld dat het goed gaat met patiënte, die in die periode geen suïcidale gedachten of suïcidaal gedrag heeft vertoond en evenmin de intentie heeft gehad dit wel te doen. Op dat moment besluiten patiënte, haar psychiater en haar ouders gezamenlijk om de behandeling te beëindigen, met de afspraak dat patiënte terugkomt als er opnieuw een moment komt dat ze het alleen niet redt.