Stress, drugs en ellende
Edward V. Nunes, MD
Frank Ypma, een 40-jarige bedrijfsleider, is door zijn vrouw aangemeld voor een psychiatrisch consult. Terwijl de heer Ypma stilletjes naast zijn vrouw zit, vertelt zij dat hij de afgelopen zes maanden is veranderd. Hij is ofwel stil en teruggetrokken of voor zijn doen ongewoon prikkelbaar. Hij is tijdens sociale gelegenheden grote hoeveelheden alcohol gaan drinken, en soms schaamt zij zich daarvoor. Hij komt vaak laat thuis, of helemaal niet, en zegt dan dat hij op kantoor heeft zitten werken. Wanneer hij niet thuis is, neemt hij zelden de telefoon op en hij reageert ook niet op sms’jes. Ze vroeg zich af of hij misschien vreemdging. De heer Ypma zegt dat hij geen ander heeft en dat hij het alleen maar heel zwaar heeft gehad.
Nadat zijn vrouw weer naar de wachtkamer is gegaan, vertelt patiënt dat hij op zijn werk het afgelopen jaar enorm veel stress heeft gehad door tegenslagen die golden voor de hele bedrijfstak, en dat hij ook persoonlijk financiële schade heeft geleden. Hij zegt dat hij zich vrijwel voortdurend down en somber voelt. Hij meldt dat hij ’s nachts veel slaapproblemen heeft, dat hij zich niet meer voor zijn vrouw en kinderen interesseert, weinig energie heeft, het gevoel heeft dat hij faalt, en vol zelfkritiek zit. Hij denkt geregeld dat hij liever dood is en hij denkt ook aan suïcide, maar zegt dat hij geen intentie of plannen heeft om suïcide te plegen.
Op vragen over alcoholgebruik antwoordt hij dat hij het afgelopen halfjaar inderdaad zwaar heeft gedronken. Op een vraag over gebruik van andere middelen, informeert hij eerst naar de geheimhoudingsplicht van de therapeut en geeft daarna toe dat hij de afgelopen negen maanden meerdere keren per week cocaïne heeft gebruikt. Hij heeft zijn cocaïnegebruik voor zijn vrouw verzwegen, omdat hij weet dat ze hier flinke bezwaren tegen zou hebben. Aanvankelijk kreeg hij door de cocaïne een behoorlijk positieve en optimistische stemming en merkte hij dat hij zich veel beter door de enorme stapels werk, die hij normaal saai vindt en die hem tegenstaan, kon heen worstelen. Voor zijn werk moest hij soms ’s avonds naar bijeenkomsten, maar hij begon ook naar cafés te gaan om daar zijn cocaïnegebruik gemakkelijk met alcohol te kunnen combineren. Hij hunkert naar de high van cocaïne, doet alles om aan cocaïne te komen en is veel tijd kwijt om high te kunnen worden, tijd die hij normaal aan zijn gezin zou spenderen.
Op de vraag hoe de werkstress, het cocaïnegebruik en de depressiviteit precies in elkaar grijpen, vertelt hij dat hij zich al sinds een jaar zorgen maakt over zijn werk en zijn werk niet meer leuk vindt, maar dat de prikkelbaarheid, slapeloosheid en zijn lage eigenwaarde pas een halfjaar geleden zijn begonnen, en dat was drie maanden nadat hij met regelmaat cocaïne is gaan gebruiken. Deze depressieve klachten heeft hij het grootste deel van de dag, bijna elke dag, los van of hij in de dagen daarvoor nu wel of niet cocaïne heeft gebruikt.
Patiënt zegt niet eerder depressieve episoden of andere stemmings- of angststoornissen te hebben gehad, of suïcidepogingen te hebben ondernomen. Hij is een sociaal drinker. Als tiener heeft hij met cannabis en cocaïne geëxperimenteerd, maar tot het afgelopen jaar heeft hij nooit een regelmatig gebruikspatroon opgebouwd of er beperkingen van ondervonden.