Per­soon­lijk­heids­con­flic­ten

    Larry J. Siever, MD; Lauren C. Zaluda, BA

    Bespreking

    De heer Alberts beschrijft een lang bestaand disfunctioneel patroon van inflexibiliteit in het omgaan met de wereld. Hij vertoont een aanhoudend patroon van wantrouwen en achterdocht. Hij gaat ervan uit dat anderen hem uitbuiten of misleiden, twijfelt aan de loyaliteit van vrienden, blijft lang rancuneus en twijfelt herhaaldelijk aan de trouw van seksuele partners. Vanwege dit cluster van symptomen voldoet hij aan de DSM-5-criteria voor de paranoïde-per­soon­lijk­heids­stoor­nis (PPS).

    Een tweede cluster van per­soon­lijk­heids­trek­ken past bij de preoccupatie van patiënt met perfectionisme en controle. Hij is extreem gericht op regels, lijstjes en details. Patiënt is inflexibel en niet in staat tot delegeren. Behalve PPS is de DSM-5-classificatie dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis van toepassing.

    Voor elke per­soon­lijk­heids­stoor­nis is het van belang om uit te sluiten dat de kenmerken het gevolg zijn van de effecten van een middel of een somatische aandoening; geen van deze lijkt in het geval van de heer Alberts waarschijnlijk. Hij geeft aan geen enkel middel te gebruiken, geen ziekte te hebben en geen hoofdletsel te hebben opgelopen. Bovendien lijken zijn gedragspatronen constant, en niet gerelateerd aan een grote verandering in zijn le­vens­om­stan­dig­he­den of een andere psychiatrische stoornis.

    Het is niet verbazend dat patiënt naast de classificaties paranoïde- en dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis gedeeltelijk ook voldoet aan de criteria voor andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen, waaronder de schizotypische-, de borderline-, de narcistische- en de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen vertonen vaak comorbiditeit, en als een patiënt aan de criteria voldoet van meer dan één stoornis, moeten die alle worden genoteerd. Vooral PPS treedt zelden geïsoleerd op, zowel in klinische als in on­der­zoeks­po­pu­la­ties. PPS gaat vaak samen met de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis en/of andere stoornissen in het schi­zo­fre­nies­pec­trum, een bevinding die is toe te schrijven aan de overlap van aan pathologische achterdocht gerelateerde criteria. In het geval van de heer Alberts vormen zijn emotionele instabiliteit, ongerustheid, boosheid en arrogantie een symptoomcluster dat vaak bij de borderline- en de narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis optreedt. Aangezien PPS relatief zeldzaam als ‘geïsoleerde’ stoornis optreedt, komt in recente onderzoeken de mogelijkheid naar voren dat bepaalde per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen, waaronder PPS, zouden kunnen worden samengevoegd tot meer omvattende classificaties. Pathologische achterdocht zou dan kunnen worden opgevat als een specificatie of ander kenmerk bij andere stoornissen. In de DSM-5 is dat echter nog niet het geval en dus moet PPS nog steeds worden genoteerd als comorbide stoornis, als aan de criteria wordt voldaan.

    Een ander interessant onderwerp bij de classificatie van PPS is dat sommige clinici zich afvragen of je daarmee niet feitelijk een vroeg stadium van schizofrenie vaststelt. Er zijn genetische, neu­ro­bi­o­lo­gi­sche, epi­de­mi­o­lo­gi­sche en symptomatische aanwijzingen dat PPS, net als de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, samenhangt met schizofrenie en op het schi­zo­fre­nies­pec­trum ligt. Maar een paranoïde-per­soon­lijk­heids­stoor­nis is geen precursor van schizofrenie, en de symptomen zijn niet indicatief voor de prodromale fase van schizofrenie. Prodromale schizofrenie is het best te herkennen aan vroege psychotische symptomen, waaronder ge­des­or­ga­ni­seerd denken en gedrag, terwijl het denkpatroon bij PPS meestal meer gemeen heeft met dat van een waanstoornis en daarmee verwante inhoudelijke denkstoornissen.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.