Depressiviteit en angst
David Mataix-Cols, PhD; Lorena Fernández de la Cruz, PhD
Bespreking
Mevrouw Nicolaas heeft een verzamelstoornis (‘hoarding disorder’), een nieuwe classificatie in de DSM-5. Ze heeft al zo lang ze zich kan herinneren moeite met het wegdoen van bezittingen. Doordat ze erg bezig is met de mogelijkheid dat ze de spullen later misschien nog kan gebruiken, en ook vanwege de gevoelswaarde van de spullen, raakt ze enorm van streek bij de gedachte om een van haar bezittingen weg te doen. Het resultaat van deze moeilijkheden is een woonruimte die nauwelijks nog functioneel is. Het lijden van patiënte wordt, behalve door het verlies van de functionaliteit van haar huis, ook veroorzaakt door het sociale isolement waarin ze is terechtgekomen. Uit de casusbeschrijving komen geen aanwijzingen naar voren dat een somatische of psychische aandoening verantwoordelijk is voor het verzamelgedrag.
Het is goed om te bedenken dat er tussen nutteloze en waardeloze spullen vaak ook nog waardevolle voorwerpen liggen; tussen de vergeelde kranten kunnen juwelen en juridische documenten verstopt zitten. Als de clinicus van dit soort details op de hoogte is, helpt dit om de juiste vragen te stellen, wat belangrijk is om informatie over de voorgeschiedenis te kunnen verzamelen van een patiënt die zich waarschijnlijk schaamt over het eigen gedrag. Ook het documenteren van de verzamelstoornis door middel van foto’s of een huisbezoek kan nuttig zijn.
De DSM-5 bevat twee specificaties voor de verzamelstoornis. De specificatie ‘met excessief verwerven’ verwijst naar het excessief verwerven van spullen, die gratis, gekocht of gestolen kunnen zijn, terwijl de betrokkene deze spullen duidelijk niet nodig heeft of er geen ruimte voor heeft. Aangezien bij veel mensen het realiteitsbesef over hun moeilijkheden ontbreekt, bevat de classificatie verzamelstoornis ook een specificatie over de mate waarin dit realiteitsbesef aanwezig is. Mevrouw Nicolaas vindt van zichzelf dat ze redelijk omgaat met het vergaren van spullen en het niet weggooien ervan (de spullen kunnen nog een keer van pas komen of hebben een gevoelswaarde). Ze heeft haar familie er nooit over verteld, laat staan dat ze zich er al eerder voor heeft laten behandelen. Toch begrijpt patiënte wel dat ze een probleem heeft en zegt ze dat ze hulp wil, vandaar dat het realiteitsbesef als goed of redelijk wordt beoordeeld.
Het is van belang om na te gaan of het vergaren van spullen wordt beoordeeld als een direct gevolg van een andere DSM-5-stoornis. Wanneer dit het geval is, is de classificatie verzamelstoornis niet van toepassing. Zo is het excessief vergaren van bezittingen ook beschreven bij zowel de obsessieve-compulsieve stoornis als een aantal neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (bijvoorbeeld de autismespectrumstoornis), neurocognitieve stoornissen (zoals frontotemporale dementie) en psychotische stoornissen (schizofrenie bijvoorbeeld). Geen van deze andere classificaties lijkt echter te passen bij het beeld van mevrouw Nicolaas.
De verminderde energie bij de depressieve stoornis kan ook leiden tot het opstapelen van allerlei rommel, en patiënte lijkt wel depressief te zijn. De casusbeschrijving is echter niet gedetailleerd genoeg om haar depressiviteit beter te kunnen classificeren (vandaar de DSM-5-classificatie ‘ongespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis‘), en de al bijna levenslang aanwezige problemen met verzamelen lijken eerder dan de stemmingssymptomen te zijn ontstaan. Behalve de depressieve-stemmingsstoornis moet dus ook de classificatie verzamelstoornis worden toegekend.