Op een vreemde manier stil

    Jessica Daniels, MD

    Taco Musters, een 22-jarige recent afgestudeerde academicus, wordt door zijn vrienden binnengebracht bij de spoedeisende-hulpafdeling (SEH) omdat hij op een vreemde manier stil is, nadat hij drie dagen onvindbaar was geweest. Volgens de vrienden van patiënt heeft hij recentelijk een behandeling ondergaan voor teelbalkanker, maar toen ze hem vier dagen geleden ’s avonds zagen, was hij goed gestemd. Hij was de volgende dag, toen ze weer bij elkaar zouden komen, niet op komen dagen, en had niet gereageerd op e-mails, sms’jes en telefoontjes. Ze wisten niet hoe ze in contact konden komen met zijn ouders of familie en hadden geen verdere informatie.

    In de SEH gedraagt patiënt zich vreemd in de omgang met anderen; hij blijft verstijfd staan, maakt geen oogcontact en geeft geen antwoord op vragen. Na ongeveer tien minuten grijpt hij plotseling een van de ver­pleeg­kun­di­gen bij de arm. Het lijkt niet zijn bedoeling om iemand kwaad te doen, maar hij wil niet loslaten en de verpleegkundige kan zichzelf niet losmaken en moet door een beveiliger worden bevrijd. Op dat moment krijgt patiënt intramusculair haloperidol toegediend. Tijdens het daarop volgende uur verstijven zijn ledematen. Liggend op een ziekenhuisbed houdt hij zijn armen, met de ellebogen gebogen, boven zijn hoofd. Hij wordt op de neurologische afdeling opgenomen. Een CT-scan van het hoofd, standaard la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoek en toxicologisch onderzoek van de urine leveren geen afwijkingen op, behalve dat zijn creatinekinase (CK) met 906 U/l aan de hoge kant is. Er is met 110 slagen per minuut sprake van tachycardie. Hij heeft geen koorts en zijn bloeddruk is normaal.

    Bij onderzoek wordt een magere jongeman gezien die in bed ligt, en daarbij zijn hoofd op een ongemakkelijke manier net boven het kussen houdt. Hij blijft recht voor zich uit staren, knippert daarbij nauwelijks met zijn ogen, en maakt geen oogcontact. Hij heeft plukjes haar verloren. Hij is volledig bij bewustzijn, alert en georiënteerd in tijd en plaats, maar wil niet meewerken aan andere cognitieve tests. Hij heeft geen manifeste auditieve of visuele hallucinaties. Hij spreekt met lange tussenpozen en een significant verminderde spraakproductie en zegt dat hij bang is dood te zullen gaan. Terwijl hij langzaam zijn angst uitspreekt, blijft zijn lichaam stijf en rigide. Hij beweegt zijn armen stram op en neer. Hij transpireert niet ernstig en lijkt geen pijn te hebben. Bij lichamelijk onderzoek blijkt dat sprake is van gelijkblijvende weerstand bij elke beweging van zijn armen. Wanneer de armen door de onderzoeker in een bepaalde positie worden gezet, blijven ze in die positie staan. Er zijn geen aanwijzingen voor myoclonus.

    De klinische toestand van patiënt blijft drie dagen onveranderd en intussen krijgt hij intraveneus vocht toegediend. Hij krijgt geen psychoactieve medicatie. De la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoe­ken, een elektro-encefalogram (eeg) en MRI-scan leveren geen bijzonderheden op en zijn CK neemt, na een piek op 1100 U/l, weer langzaam af. Op de vierde dag krijgt patiënt intraveneus een proefdosis van 1 mg lorazepam, en na vijf minuten nogmaals 1 mg. Hij wordt hier niet suf van. Zijn psychische toestand blijft onveranderd, behalve dat hij na de tweede dosering iets meer gaat praten. Er wordt gestart met 1 mg intraveneus lorazepam om de 4–6 uur. Daarna is binnen 24 uur de stijfheid verdwenen, spreekt patiënt vloeiend en gedreven en wordt hij zeer actief en geagiteerd. Hij loopt op en neer over de gang, loopt achter de ver­pleeg­kun­di­gen aan en probeert uit het ziekenhuis weg te komen. Hij vertelt het personeel, de andere patiënten en het bezoek dat hij een groot kunstenaar is en een remedie voor kanker heeft gevonden. Zijn creatinekinase en tachycardie normaliseren. Zijn temperatuur blijft normaal.

    Op de zesde dag van zijn opname komen zijn ouders, die ver weg wonen, op bezoek. Zij vertellen dat hij, als enige keer dat hij eerder last had van psychische klachten, depressief was toen hij een jaar geleden de diagnose teelbalkanker had gekregen. Hij heeft hiervoor 50 mg/dag sertraline geslikt en dit ging goed tot hij tien dagen vóór zijn opname hoorde dat de teelbalkanker was teruggekeerd en dat een metastase in het retroperitoneum was gevonden. Hij is onmiddellijk gestart met chemotherapie met cisplatine, etoposide en dexamethason. Na de chemo heeft patiënt zijn ouders gebeld en hun verteld dat hij zich ‘uitstekend’ voelde, maar daarna heeft hij niet meer op hun te­le­foon­op­roe­pen of e-mails gereageerd. Dit is niet geheel ongewoon voor hun zoon, die ‘onregelmatig van zich laat horen’, maar ze gingen zich steeds meer zorgen maken en hebben uiteindelijk de trein genomen, nadat ze tien dagen niets meer van hem hadden vernomen. De enige relevante informatie uit de familieanamnese is, volgens de ouders van patiënt, dat een oom van moederszijde een ernstige bipolaire-stem­mings­stoor­nis heeft en met elek­tro­con­vul­sie­the­ra­pie werd behandeld.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.