Ploeteren
Peter D. Kramer, MD
Ivan Collewijn is een 32-jarige man die op het psychiatrisch spreekuur verschijnt omdat hij grote moeite heeft om op zijn werk te functioneren. Nadat hij zelfs met een eenvoudig project geen vorderingen maakte, begon zijn baas zich zorgen te maken. Patiënt vertelde hem dat hij in beslag was genomen door problemen thuis, maar zijn baas had het idee dat er meer aan de hand was. Patiënt is daarna naar zijn huisarts gegaan, die hem verwees voor een psychiatrisch onderzoek.
De heer Collewijn heeft dit probleem, moeite met concentreren, al vaker gehad. In zijn studententijd is zijn vader overleden aan een chronische ziekte, waarna hij niet meer kon studeren en een tijdje vrijaf moest nemen. In zijn vorige baan had hij twee keer een periode van enkele maanden waarin hij moeite had om beslissingen te nemen. Een van die perioden vond plaats na een tegenslag in de liefde.
De moeder en de zus van patiënt zijn in het verleden succesvol met medicatie behandeld voor een depressieve stoornis. Een oom aan moederszijde heeft suïcide gepleegd.
De huidige klachten begonnen tegelijk met het stuklopen van het zesjarige huwelijk van patiënt. Twee maanden geleden heeft zijn vrouw een scheiding aangevraagd en aangekondigd dat ze aan de andere kant van het land zou gaan wonen, waar ze voor haar werk naartoe moest. Patiënt had verwacht dat hij zich opgelucht zou voelen; hij vertelt dat zijn vrouw zich sinds ze zijn getrouwd vijandig heeft gedragen. Hij heeft intussen gevoelens gekregen voor een collega. Desondanks voelt hij zich ‘vlak’ en niet in staat om een toekomst voor zich te zien.
Na doorvragen komt naar boven dat patiënt meer problemen heeft dan alleen moeite met de concentratie. Hij vertelt dat hij zich apathisch voelt en veel minder energie heeft. Hij is gek op jazz, maar gaat niet meer naar optredens — mogelijk speelt zijn verminderde concentratie daar ook een rol in. Al luisterend merkt de psychiater op dat de spreeksnelheid van patiënt vertraagd is. Volgens patiënt heeft zijn baas gezegd dat het wel lijkt of hij ‘in slow motion’ beweegt. In de ochtenduren zijn deze problemen het ergst. ’s Avonds merkt patiënt dat hij weer een beetje puf begint te krijgen. Hij zet dan wat muziek op en kijkt nog wat rapporten door die hij tijdens zijn werk heeft laten liggen.
Hij vindt niet dat je kunt zeggen dat hij verdrietig is. Hij is blij dat er een eind is gekomen aan zijn huwelijk. Het valt de psychiater op dat haar eigen gevoel in reactie op de heer Collewijn mistroostig, pessimistisch en zelfs bijna huilerig wordt.
Ze vraagt patiënt volledig uit over een sombere stemming, veranderde slaap en eetlust, gevoelens van schuld of waardeloosheid, en gedachten over de dood. Geen van deze kenmerken is op hem van toepassing, antwoordt hij. En hij heeft ook geen aanwijzingen voor stoornissen die met depressiviteit kunnen worden verward. Er is tussen de episoden waarin hij beperkingen ondervindt geen sprake van dysthymie; hij voelt zich dan goed en functioneert goed.
Volgens de psychiater lijkt het probleem genoeg op een depressieve stoornis om in aanmerking te komen voor een behandeling. De factoren die de psychiater tot deze beslissing brengen, zijn onder andere de gedeeltelijk syndromale uiting, de diurnale variatie, de periodieke terugkeer van de symptomen, het gebrek aan een toekomstperspectief en haar eigen empathische gevoelens. Ze stelt voor om te beginnen met psychotherapie die is gericht op de decompensatie van patiënt als gevolg van het verlies. Hij zegt stellig dat hij zijn scheiding niet op die manier ziet. Beiden komen uiteindelijk overeen dat hij een kortdurende psychotherapie zal ondergaan, ondersteund door antidepressiva. Binnen enkele weken functioneert patiënt weer naar vol vermogen. Tijdens de behandeling slaagt de psychiater er niet in aanwijzingen te vinden voor depressieve symptomen anders dan degene die al in de voorgeschiedenis zijn vermeld. Tegelijkertijd is zij ervan overtuigd dat de concentratieproblemen een symptoom zijn van iets wat veel weg heeft van een depressieve stoornis.