Bang en ongerust
Loes Jongerden, MA; Susan Bögels, PhD
Bespreking
Leo heeft van jongs af aan scheidingsangst gehad. Om aan de criteria voor de separatieangststoornis te voldoen, zijn volgens de DSM-5 drie van in totaal acht symptomen vereist. Leo heeft er op zijn minst vijf, waaronder persisterende excessieve en verontrustende bezorgdheid over het verwachten van een scheiding; over dat zijn ouders iets zou overkomen; over gebeurtenissen die zouden kunnen leiden tot scheiding; en over alleen achtergelaten worden. Daarnaast heeft hij lichamelijke klachten die zijn terug te voeren op een vrees om dood te gaan of van zijn ouders gescheiden te worden.
Hij heeft ook paniekaanvallen. Hij voldoet echter niet aan de criteria voor de paniekstoornis, omdat hij niet bang is voor een nieuwe paniekaanval. Zijn paniek heeft daarentegen te maken met de vrees om van zijn ouders gescheiden te worden of een ziekte te krijgen. De paniekaanvallen worden daarom als specificatie vermeld bij de separatieangststoornis.
Hoewel Leo bezorgd is over het krijgen van een ziekte, lijken zijn symptomen niet aan de criteria voor de ziekteangststoornis te voldoen: de duur van zijn vrees voor ziekten is korter dan zes maanden, hij gaat niet naar artsen en hij zoekt niet zozeer geruststelling over zijn gezondheid, als wel over het alleen gelaten worden door zijn hechtingspersonen. Zijn symptomen voldoen niet aan de criteria voor de gegeneraliseerde-angststoornis omdat zijn voornaamste bezorgdheid gaat over het gescheiden worden van zijn ouders. Mogelijk heeft hij in het verleden wel voldaan aan de criteria voor de sociale-angststoornis (sociale fobie) (bang om te worden lastiggevallen), maar zijn klinische beeld lijkt op dit moment niet door sociale angsten te worden gedomineerd.
Er is sprake van angststoornissen bij moeder en oma, wat kan duiden op een genetische predispositie. Een angst die meerdere generaties overstijgt, kan ook zijn aangeleerd, of kan door de rolmodellen of overbezorgdheid van de ouders worden doorgegeven. In het geval van Leo heeft de moeder een paniekstoornis, agorafobie en een sociale-angststoornis, en beide ouders vinden ook dat hun eigen angsten van invloed zijn geweest op hun ouderschapsstijl. Dat geldt vooral voor het feit dat Leo’s angsten beloond lijken te worden: de ouders blijven thuis, laten Leo zelden alleen en reageren snel op al zijn telefoontjes en sms’jes. Ze praten regelmatig over zijn angsten, maar besteden daarbij misschien te weinig aandacht aan compenserende strategieën. Vader lijkt de zelfstandigheid van Leo wel aan te moedigen, maar de ouders lijken het niet eens te zijn over wat, over het geheel genomen, de juiste aanpak is. Dat de ouders niet op één lijn staan, kan hebben bijgedragen aan het voortduren van Leo’s problemen.
Een verandering die potentieel belangrijk is in de DSM-5, is de verplaatsing van de separatieangststoornis naar het hoofdstuk over angststoornissen. In de DSM-III en DSM-IV stond deze stoornis in het hoofdstuk over stoornissen die in de zuigelingentijd, kindertijd en adolescentie beginnen. De separatieangststoornis kan echter tot op volwassen leeftijd aanhouden en misschien heeft Leo’s moeder zelf ook een volwassen vorm van deze stoornis (naast haar andere angststoornissen). Haar eigen vrees voor scheiding kan van invloed zijn op hoe zij haar zoon opvoedt en op zijn persisterende angst.