Prikkelbaar en somber

    Robert L. Findling, MD, MBA

    Rachel, een 15-jarig meisje, wordt voor een psychiatrisch onderzoek verwezen omdat zij in het voorgaande jaar toenemende problemen had gekregen, zowel thuis als op school. De voornaamste zorg, volgens haar moeder, is dat ‘de medicatie van Rachel niet werkt’. Rachel zegt zelf dat ze geen specifieke klachten heeft.

    Tijdens de gesprekken met patiënte en haar moeder vertellen beiden zowel samen als afzonderlijk dat de cijfers van patiënte achteruit zijn gegaan, van ‘achten en negens tot zesjes of vijven’, dat ze veel van haar langdurige vriendschappen is verloren, en dat ze thuis conflicten heeft die zo uit de hand lopen dat moeder haar als ‘naar en gemeen’ omschrijft.

    Patiënte is op 7-jarige leeftijd voor het eerst bij een psychiater geweest, toen ze werd onderzocht op de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis (ADHS) vanwege rusteloosheid, impulsiviteit en verhoogde afleidbaarheid. Omdat ge­drags­in­ter­ven­ties geen effect hadden, is, toen Rachel 8 jaar was, gestart met een behandeling met methylfenidaat. Zowel op school als in haar sociale leven en thuis waren verbeteringen te zien. De daaropvolgende zes jaar ging het prima met Rachel en was ze ‘ongeveer zoals andere kinderen, zolang ze haar medicatie maar nam’.

    Rond de leeftijd van 14 jaar werd Rachel echter in toenemende mate ‘humeurig’. In plaats van een ‘vrolijke tiener’ te zijn, bleef ze soms dagenlang op zichzelf en sprak ze haast met niemand meer. Tijdens deze perioden, waarin ze aanhoudend somber was, sliep ze meer dan gewoonlijk, klaagde ze dat haar vriendinnen haar niet meer aardig vonden en dat niets haar meer interesseerde. Op andere momenten was ze thuis ‘niet te genieten’ en viel ze zo vaak uit tegen haar zus en ouders dat iedereen ‘op eieren liep’. Patiënte zelf weet niet waarom ze zich zo voelde en vond het vreselijk om niet te weten hoe ze zich de volgende dag zou voelen. Rond die tijd gingen de school­re­sul­ta­ten van Rachel hard achteruit en werd de dosering van haar ADHS-medicatie door de kinderarts verhoogd.

    Relevant voor de familieanamnese van Rachel is dat haar vader ‘ernstige problemen’ had. Het is de moeder van Rachel niet bekend wat zijn diagnose is, maar hij werd behandeld met lithium. Vader heeft het gezin al voor de geboorte van Rachel verlaten en ze heeft hem nooit gezien.

    Tijdens het uitvragen van de perioden met prikkelbaarheid, somberheid en sociaal isolement, vraagt de onderzoeker of er ook perioden zijn waarin Rachel zich uitgesproken goed voelde. Moeder herinnert zich dat haar dochter meerdere keren, gedurende één of twee weken ‘jolig’ is geweest. Ze lachte om ‘alles’ en hielp enthousiast mee met huishoudelijke taken, of begon er zelfs uit zichzelf mee. Omdat dit ‘goede perioden’ waren, dacht moeder dat deze episoden niet van belang waren.

    Rachel heeft geen somatische problemen. Ze antwoordt ontkennend op de vraag of ze alcohol of drugs gebruikt, of andere medicatie, afgezien van de voor ADHS voorgeschreven medicatie.

    Bij onderzoek, als patiënte alleen is, wordt een nonchalant geklede tiener gezien. Haar cognitieve functies zijn intact. Ze heeft geen psychotische symptomen, haar denken is coherent. Ze is bedachtzaam en verdrietig, met een enigszins ingeperkt affect. Anamnestisch is haar stemming wisselend somber, dan weer prima, dan een paar dagen ‘hilarisch’, dan ‘moordzuchtig’, alsof iemand ‘in mijn binnenste zit te roeren’. Er zijn geen suïcidale gedachten.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.