Vragen om te bespreken met collega’s en docenten
Vragen om te bespreken met collega’s en docenten
1Als een patiënt zes van de negen symptomen vertoont uit de lijst in de DSM-5 voor een borderline-persoonlijkheidsstoornis, maar dit alleen doet als hij of zij onder een bepaalde vorm van stress staat, is de classificatie borderline-persoonlijkheidsstoornis dan terecht?
2Iemand van in de veertig ontwikkelt na het krijgen van een somatische aandoening trekken van een persoonlijkheidsstoornis. Zijn symptoomprofiel voldoet aan zes van de zeven criteria voor een paranoïde-persoonlijkheidsstoornis. Wat is in deze casus de geschiktste manier om de DSM-5 toe te passen?
3Als aan alle criteria voor meer dan één persoonlijkheidsstoornis in twee aparte clusters wordt voldaan, kunnen er dan twee persoonlijkheidsstoornissen worden geclassificeerd bij één patiënt?
4In welke opzichten verschillen persoonlijkheidsstoornissen van episodische stemmingsstoornissen?
5Trekken van een persoonlijkheidsstoornis kunnen in bepaalde situaties in iemands voordeel werken. Waarom is het belangrijk om het pervasieve karakter van de patronen te onderzoeken om de classificatie van een persoonlijkheidsstoornis te kunnen toekennen?
6Hoe kan een classificatie andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis of ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis in de praktijk van nut zijn?