Wanneer iemand een patroon vertoont van beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en van maladaptieve trekken die overeenkomen met een van de zes specifieke persoonlijkheidsstoornissen, dient die persoonlijkheidsstoornis te worden geclassificeerd. Wanneer bovendien de betrokkene voldoet aan een of meer prominente trekken die klinisch relevant zijn in aanvulling op de kenmerken die benodigd zijn voor de classificatie (zie bijvoorbeeld de narcistische-persoonlijkheidsstoornis), dan bestaat de optie om die trekken als een specificatie te noteren. Bij mensen voor wie het persoonlijkheidsfunctioneren of het trekkenprofiel substantieel verschilt van elke van de zes specifieke persoonlijkheidsstoornissen, dient de classificatie trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis te worden toegekend. Iemand die net niet voldoet aan de vereiste A- of B-criteria, heeft een subklinische persoonlijkheidsstoornis. In dit geval kunnen er kenmerken van een of meer specifieke persoonlijkheidsstoornissen aanwezig zijn, of enkele kenmerken die niet karakteristiek zijn voor een specifiek type, hetgeen beter beschouwd kan worden als een gemengde of atypische presentatie. Het specifieke niveau van beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de pathologische persoonlijkheidstrekken van de betrokkene kunnen dan geclassificeerd worden als een trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, waarbij gebruikgemaakt wordt van de Niveaus van
Persoonlijkheidsfunctioneren Schaal (NPFS; zie tabel 2) en de taxonomie van pathologische trekken (tabel 3). Ook de huidige classificaties paranoïde-, schizoïde-, histrionische- en afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis worden in dit alternatieve DSM-5-model geclassificeerd als een trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Ze worden gekenmerkt door een matige of ernstigere beperking in het persoonlijkheidsfunctioneren en kunnen worden gespecificeerd door de combinatie van de bijbehorende pathologische persoonlijkheidstrekken.