CLASSIFICATIECRITERIA
A Er zijn aanwijzingen voor een significante cognitieve achteruitgang ten opzichte van een eerder niveau van functioneren, in een of meer cognitieve domeinen (complexe aandacht, executieve functies, leervermogen en geheugen, taal, perceptueel-motorisch, of sociaal-cognitief), gebaseerd op:
1 Zorgen van de betrokkene, een informant die de betrokkene goed kent, of de clinicus over een significante achteruitgang in het cognitieve functioneren; en
2 Een substantiële beperking in de cognitieve prestaties, bij voorkeur vastgesteld met gestandaardiseerde neuropsychologische tests, of, als die er niet zijn, een ander gekwantificeerd klinisch onderzoek.
De formulering in de DSM-5 is meer gericht op 'achteruitgang', ten opzichte van een eerder niveau van presteren dan op 'tekorten', zoals in de DSM-IV. De DSM-IV-criteria voor dementie waren gebaseerd op die voor de ziekte van Alzheimer en daarom was voor alle vormen van dementie een geheugenstoornis vereist. In toenemende mate wordt echter erkend dat bij veel neurocognitieve stoornissen (bijvoorbeeld die samenhangen met hiv-infectie, cerebrovasculaire ziekte, frontotemporale degeneratie en traumatisch hersenletsel), andere domeinen — zoals de taal of de executieve functies — het eerst, of uitsluitend, worden aangetast, afhankelijk van het deel van de hersenen dat wordt aangedaan en het natuurlijke beloop van de stoornis. De nieuwe definitie richt zich ook eerder op de prestaties dan op de beperkingen. Het criterium moedigt waar mogelijk het gebruik van objectieve meetinstrumenten aan, inclusief gestandaardiseerde neuropsyschologische tests, zodat de classificatie minder afhankelijk is van een individuele beoordeling. Om de specificiteit te vergroten zijn observatie van de achteruitgang en een objectieve beoordeling beide opgenomen in dit criterium. Hoewel dit bewijs van groter belang is voor de diagnose van een beperkte neurocognitieve stoornis, is een soortgelijke formulering opgenomen voor de uitgebreide neurocognitieve stoornis en heeft criterium A voor beide stoornissen dezelfde structuur.
B De cognitieve deficiënties belemmeren het zelfstandig functioneren bij dagelijkse handelingen (waarbij minstens ondersteuning nodig is bij complexe instrumentele activiteiten van het dagelijks leven, zoals het betalen van rekeningen, of medicatiebeheer).
De formulering in de DSM-5 heeft de traditionele op het functioneren gebaseerde drempel voor dementie behouden, maar probeert de stoornis duidelijker te operationaliseren als een verlies van zelfstandigheid.
C De cognitieve deficiënties doen zich niet alleen voor in de context van een delirium.
De cognitieve achteruitgang die gezien wordt bij de uitgebreide neurocognitieve stoornis beïnvloedt een aantal cognitieve domeinen die ook bij een delirium worden aangedaan. Hoewel het van klinisch belang is om een uitgebreide neurocognitieve stoornis te onderscheiden van een delirium, kunnen beide stoornissen gezamenlijk optreden.
De cognitieve tekorten bij de uitgebreide neurocognitieve stoornis dienen niet beter verklaard te kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de depressieve stoornis of schizofrenie).
D De cognitieve deficiënties kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis (zoals een depressieve stoornis, schizofrenie).
De cognitieve achteruitgang die gezien wordt bij de uitgebreide neurocognitieve stoornis beïnvloedt een aantal cognitieve domeinen die ook bij een delirium worden aangedaan. Hoewel het van klinisch belang is om een uitgebreide neurocognitieve stoornis te onderscheiden van een delirium, kunnen beide stoornissen gezamenlijk optreden.
De cognitieve tekorten bij de uitgebreide neurocognitieve stoornis dienen niet beter verklaard te kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de depressieve stoornis of schizofrenie).
→ Specificeer of door:
Ziekte van Alzheimer
Frontotemporale degeneratie
Lewylichaampjesziekte
Vasculaire ziekte
Traumatisch hersenletsel
Middel-/medicatiegebruik
Hiv-infectie
Prionziekte
Ziekte van Parkinson
Ziekte van Huntington
Andere somatische aandoening
Multipele oorzaken
Onbekende etiologie
Ongespecificeerd
NB Elk subtype dat hiervoor is vermeld heeft specifieke classificatiecriteria en een bijbehorende toelichting, die volgen op de algemene bespreking van de uitgebreide en de beperkte neurocognitieve stoornis.
Coderingsaanwijzing De code is gebaseerd op de somatische of met middelengebruik samenhangende etiologie:
| Etiologisch subtype | Code voor uitgebreide NCSa | Code voor beperkte NCSb |
| Ziekte van Alzheimer | F00.9 | F06.7 |
| Frontotemporale degeneratie | F02.0 | F06.7 |
| Lewylichaampjesziekte | F02.8 | F06.7 |
| Vasculaire ziekte | F01.9b | F06.7 |
| Traumatisch hersenletsel | F02.8 | F06.7 |
| Middel-/medicatiegebruik | Code gebaseerd op het soort middel dat de uitgebreide NCS veroorzaakt c | Code gebaseerd op het soort middel dat de beperkte NCS veroorzaakt c |
| Hiv-infectie | F02.4 | F06.7 |
| Prionziekte | F02.1 | F06.7 |
| Ziekte van Parkinson | F02.3 | F06.7 |
| Ziekte van Huntington | F02.2 | F06.7 |
| Andere somatische aandoening | F02.8 | F06.7 |
| Multipele oorzaken | F02.8 Codeer ook de relevante uitgebreide NCS door een middel/medicatie als een (genees)middel een rol speelt in de etiologie | F06.7 Codeer ook de relevante beperkte NCS door een middel/medicatie als een (genees)middel een rol speelt in de etiologie |
| Onbekende etiologie | F03 | F06.7 |
| Ongespecificeerd | F03 | F03 |
a Vermeld ook de code voor de oorzakelijke aandoening(en), behalve bij vasculaire NCS en behalve wanneer voor de classificatie ‘mogelijk door [aandoening]’ gekozen is.
b Gebruik geen extra code(s) voor de oorzakelijke aandoening(en).
c Zie de paragraaf ‘Uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie’.
Subtypen en specificaties voor de uitgebreide neurocognitieve stoornis worden besproken bij de beperkte neurocognitieve stoornissen hierna.
→ Specificeer:
Zonder gedragsstoornissen Als de cognitieve stoornis niet samengaat met klinisch significante gedragsstoornissen.
Met gedragsstoornissen (specificeer de symptomen) Als de cognitieve stoornis samengaat met klinisch significante gedragsstoornissen (bijvoorbeeld psychosesymptomen, stemmingssymptomen, agitatie of andere gedragssymptomen).
Subtypen en specificaties voor de uitgebreide neurocognitieve stoornis worden besproken bij de beperkte neurocognitieve stoornissen hierna.
Coderingsaanwijzing Gebruik (een) extra code(s) om klinisch significante psychiatrische symptomen aan te duiden die door dezelfde somatische aandoening worden veroorzaakt als de uitgebreide neurocognitieve stoornis (bijvoorbeeld F06.2 psychotische stoornis door de ziekte van Alzheimer, met wanen; F06.3 depressieve-stemmingsstoornis door de ziekte van Parkinson, met depressieve kenmerken). NB Psychische stoornissen door een somatische aandoening zijn opgenomen bij de stoornissen waarmee zij de fenomenologie delen (kijk bijvoorbeeld voor de depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening in het hoofdstuk ‘Depressieve-stemmingsstoornissen’).
→ Specificeer actuele ernst:
Licht Moeite met instrumentele activiteiten van het dagelijks leven (zoals huishouding, beheer financiën).
Matig Moeite met basisactiviteiten van het dagelijks leven (zoals eten, aankleden).
Ernstig Volledig afhankelijk.
Subtypen en specificaties voor de uitgebreide neurocognitieve stoornis worden besproken bij de beperkte neurocognitieve stoornissen hierna.