Het vereiste van minstens twee van de vier A-criteria voor elke van de zes specifieke persoonlijkheidsstoornissen is gebaseerd op het empirische gegeven dat dit het optimale aantal criteria is voor de bijbehorende persoonlijkheidsstoornis. Diagnostische drempelwaarden voor de B-criteria zijn eveneens empirisch vastgesteld, en wel om de kans te verlagen dat er een afwijking ontstaat in de prevalentie van de persoonlijkheidsstoornissen volgens de DSM-IV, om de overlap met de andere persoonlijkheidsstoornissen te beperken, en om de overeenstemming in functionele beperkingen te optimaliseren. De uiteindelijke sets bevatten betrouwbare classificatiecriteria voor persoonlijkheidsstoornissen die klinisch relevant zijn wat betreft de voornaamste beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren, de uiteenlopende mate van ernst en de combinatie van pathologische persoonlijkheidstrekken.