Andere omstandigheden of problemen die een reden voor zorg kunnen zijn

Z91.8

Rondzwerven samenhangend met een psychische stoornis
Deze classificatie kan worden gebruikt voor mensen met een psychische stoornis die een drang tot rondzwerven hebben en voor wie dit tot aanzienlijke risico’s voor de verzorging of de veiligheid leidt. Als bijvoorbeeld iemand met een uitgebreide neurocognitieve stoornis of neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis rusteloos wordt en de behoefte krijgt te gaan rondzwerven, bestaat er een risico op vallen en komt de betrokkene op plaatsen waar geen toezicht is en waar de benodigde begeleiding
ontbreekt. Deze classificatie geldt niet voor mensen die aan een ongewenste ver­blijfs­si­tu­a­tie willen ontsnappen (kinderen die van huis weglopen, mensen die niet in het ziekenhuis willen blijven) of mensen die als gevolg van acathisie door medicatie gaan wandelen of op en neer lopen.

Co­de­rings­aan­wij­zing Eerst moet de bijbehorende psychische stoornis worden gecodeerd (bijvoorbeeld uitgebreide neurocognitieve stoornis, au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis), daarna volgt de code Z91.8 rondzwerven samenhangend met [specifieke psychische stoornis].

Z63.4

On­ge­com­pli­ceer­de rouw
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit een normale reactie op de dood van een dierbare. Sommige rouwende mensen reageren op een dergelijk verlies deels met symptomen die kenmerkend zijn voor een depressieve episode, bijvoorbeeld zich verdrietig voelen met de bijkomende symptomen als insomnia, slechte eetlust en gewichtsverlies. Nabestaanden beschouwen deze sombere stemming meestal als ‘normaal’, maar zij zoeken soms professionele hulp om de bijkomende symptomen, zoals insomnia of anorexia, te doen afnemen. De duur en de uiting van ‘normale’ rouw kan per culturele groep aanzienlijk verschillen. Bij de criteria voor de depressieve episode en voor de persisterende-rouwstoornis worden richtlijnen gegeven om rouw te kunnen onderscheiden van een depressieve episode en een persisterende-rouwstoornis.

Z60.0

Le­vens­fa­se­pro­bleem
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit een probleem met de aanpassing aan de overgang van de ene levenscyclus naar de andere (een bepaalde ont­wik­ke­lings­fa­se), of wanneer dit probleem een negatieve invloed heeft op de behandeling of de prognose van de betrokkene. Een dergelijke overgang is bijvoorbeeld: voor het eerst naar of van school gaan, op jezelf gaan wonen, trouwen, een nieuwe carrière beginnen, vader of moeder worden, wennen aan het ‘lege nest’ als de kinderen het huis uit gaan, en pensionering.

Z65.8

Religieus of spiritueel probleem
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een religieus of spiritueel probleem de voornaamste reden voor zorg is. Bijvoorbeeld: schokkende ervaringen waardoor iemand zijn geloof verliest of in twijfel trekt, problemen die spelen bij het aannemen van een nieuw geloof, of het in twijfel trekken van spirituele waarden die niet noodzakelijk bij een georganiseerd geloof of een godsdienstige instelling horen.

Z72.8

Antisociaal gedrag van volwassene
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit antisociaal gedrag bij een volwassene dat niet toe te schrijven is aan een psychische stoornis (zoals een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis, een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis). Te denken valt aan het gedrag van sommige professionele inbrekers, afpersers of dealers van verboden middelen.

Z72.8

Antisociaal gedrag van kind of adolescent
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit antisociaal gedrag bij een kind of adolescent dat niet toe te schrijven is aan een psychische stoornis (zoals een periodiek explosieve stoornis, een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis). Voorbeelden hiervan zijn incidentele antisociale gedragingen van kinderen en adolescenten in de afwezigheid van een patroon van antisociaal gedrag.

Z91.1

Niet opvolgen van medische behandeling
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit het niet opvolgen van een belangrijk onderdeel van de behandeling voor een psychische of somatische aandoening. Enkele mogelijke redenen waarom de betrokkene zich niet aan de voorschriften houdt, zijn ongemakken door de behandeling (zoals bijwerkingen van de medicatie), de kosten van de behandeling, persoonlijke waardeoordelen of religieuze of culturele overtuigingen over de voorgestelde behandeling, beperkingen door de hoge leeftijd en de aanwezigheid van een psychische stoornis (zoals schizofrenie, een per­soon­lijk­heids­stoor­nis). Deze classificatie mag alleen worden gebruikt wanneer het probleem ernstig genoeg is om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen en wanneer niet aan de criteria wordt voldaan voor psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden.

E66.9

Overgewicht of obesitas
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit overgewicht of obesitas.

Z76.5

Simulatie
Het hoofdkenmerk van simulatie is het opzettelijk produceren van niet echte of sterk overdreven lichamelijke of psychiatrische symptomen, waarbij externe motieven de aanleiding vormen, zoals de militaire dienst ontlopen, werk vermijden, financiële te­ge­moet­ko­min­gen ontvangen, gerechtelijke vervolging ontlopen, drugs verkrijgen. Onder bepaalde omstandigheden kan simulatie een uiting zijn van aan­pas­sings­ge­drag, bijvoorbeeld in oorlogstijd als krijgsgevangene een ziekte voorwenden. Men dient sterk op simulatie bedacht te zijn wanneer een combinatie van de volgende kenmerken wordt gevonden:

1 De symptomen treden op in medisch-juridische situaties (iemand is bijvoorbeeld door een advocaat voor onderzoek naar de clinicus verwezen, of de betrokkene heeft zichzelf tijdens een gerechtelijk proces of wanneer een straf­rech­te­lij­ke vervolging gaande is, verwezen naar de clinicus).

2 Een duidelijke discrepantie tussen de stress of beperkingen die de betrokkene zegt te ervaren en de objectieve bevindingen en observaties.

3 Een gebrek aan medewerking tijdens het diagnostische onderzoek en bij het zich houden aan de be­han­del­voor­schrif­ten.

4 De aanwezigheid van een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Het verschil tussen simulatie en een nagebootste stoornis is dat de drijfveer om de symptomen te produceren bij simulatie extern is, terwijl er geen externe drijfveer is bij de nagebootste stoornis. Simulatie is te onderscheiden van een functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis (con­ver­sie­stoor­nis) en andere somatisch-symp­toom­stoor­nis­sen door de opzettelijke productie van symptomen en door de overduidelijke externe drijfveren die ermee samenhangen. Een ondubbelzinnig bewijs van symptomen voorwenden (zoals een duidelijk bewijs dat er tijdens het onderzoek wel functieverlies was maar thuis niet) wijst op een nagebootste stoornis wanneer het ogenschijnlijke doel van de betrokkene is om de rol van zieke op zich te nemen; en op simulatie wanneer het de betrokkene te doen is om een motief als geld.

R.41.8

Leef­tijds­ge­re­la­teer­de cognitieve achteruitgang
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit een objectief vastgestelde afname van het cognitieve functioneren als gevolg van het ver­ou­de­rings­pro­ces, die gezien de leeftijd van de betrokkene binnen de normale grenzen ligt. Mensen met deze aandoening kunnen problemen melden met het onthouden van namen of afspraken, of kunnen moeite hebben met het oplossen van complexe problemen. Deze classificatie moet pas worden overwogen nadat is vastgesteld dat de cognitieve stoornis niet beter wordt verklaard door een specifieke psychische stoornis en niet kan worden toegeschreven aan een neurologische aandoening.

R41.8

Zwakbegaafdheid
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer een reden voor zorg bestaat uit zwakbegaafdheid, of wanneer deze iemands behandeling of prognose negatief beïnvloedt. Om onderscheid te kunnen maken tussen zwakbegaafdheid en een lichte verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis (verstandelijke beperking) is een zorgvuldige beoordeling nodig van de verstandelijke en adaptieve functies en de discrepanties hierin, vooral wanneer er sprake is van een psychische stoornis die gevolgen kan hebben voor de mate waarin de patiënt meewerkt aan de ge­stan­daar­di­seer­de testprocedures (bijvoorbeeld bij schizofrenie of de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis).

R45.8

Beperkende emotionele uitbarstingen
Deze classificatie kan worden gebruikt wanneer de reden voor zorg bestaat door uitingen van woede of angst die zich verbaal (bijvoorbeeld verbale woede, on­ge­con­tro­leer­de huilbuien) en/of gedragsmatig manifesteren (bijvoorbeeld fysieke agressie jegens andere mensen, eigendommen of zichzelf), en die leiden tot aanzienlijke beperkingen in het functioneren. Behalve dat deze uitbarstingen optreden in de context van een aantal verschillende psychische stoornissen (bijvoorbeeld de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis, de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis, de oppositionele-opstandige stoornis, de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis, de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis, stem­mings­stoor­nis­sen en psychotische stoornissen), kunnen ze ook onafhankelijk van andere stoornissen voorkomen, zoals vaak het geval is bij jonge kinderen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.