Acute acathisie door medicatie
Medication-induced acute akathisia
G25.8
De belangrijkste kenmerken van acute acathisie door medicatie zijn subjectieve klachten over rusteloosheid en minstens één van de volgende geobserveerde bewegingen: zittend onrustig bewegen of heen en weer zwaaien van de benen; van de ene voet op de andere gaan staan of ‘op de plaats blijven lopen’ bij het staan; ijsberen tegen de rusteloosheid; of niet in staat zijn minstens enkele minuten stil te blijven zitten of staan. Mensen met de ernstigste vorm van acute acathisie door medicatie kunnen het mogelijk niet langer dan enkele seconden in een bepaalde houding volhouden. Bij de subjectieve klachten horen een gevoel van innerlijke rusteloosheid, meestal in de benen; het gevoel dat de benen moeten blijven bewegen; lijdensdruk bij de vraag de benen stil te houden; dysforie en angst.
Geneesmiddelen die acathisie kunnen veroorzaken zijn antipsychotica en andere dopamineantagonisten, tricyclische antidepressiva, SSRI’s, dopamineagonisten en calciumantagonisten. De klachten beginnen doorgaans binnen vier weken nadat begonnen is met een dergelijk geneesmiddel of het verhogen van de dosis daarvan. Soms kunnen de klachten ook optreden na het verlagen van de dosis van een middel ter behandeling of preventie van acute extrapiramidale symptomen (bijvoorbeeld middelen met anticholinerge werking). De symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een psychische stoornis (bijvoorbeeld schizofrenie, onttrekking van een middel, agitatie door een depressieve of manische episode, hyperactiviteit bij de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis) en worden niet veroorzaakt door een neurologische of andere somatische aandoening (zoals de ziekte van Parkinson of ijzergebrekanemie).
De subjectieve lijdensdruk door acathisie is aanzienlijk en kan leiden tot therapieontrouw aan de behandeling met antipsychotica of antidepressiva. Acathisie kan samengaan met dysforie, prikkelbaarheid, agressie en suïcidepogingen. Het verergeren van psychosesymptomen of verlies van controle over het gedrag kan leiden tot een hogere dosis medicatie, wat het probleem kan verergeren. Na het starten met de medicatie die acathisie kan veroorzaken of het verhogen van de dosis, kan acathisie zich zeer snel ontwikkelen. Het ontstaan van acathisie lijkt dosisafhankelijk te zijn, en lijkt het vaakst samen te gaan met bepaalde krachtige antipsychotica of middelen met een verhoogde affiniteit voor centrale dopaminereceptoren. Acute acathisie blijft doorgaans bestaan zolang het middel dat dit veroorzaakt wordt gebruikt, al kan de intensiteit in de loop van de tijd fluctueren.
De gerapporteerde prevalentie van acathisie bij mensen die antipsychotica of andere dopamineantagonisten ontvangen, loopt zeer uiteen (20 tot 75%). De verschillen in de gerapporteerde prevalentie zijn mogelijk toe te schrijven aan een gebrek aan consistentie van de definitie, de voorschrijfpraktijk van antipsychotica, de onderzoeksopzet en de demografische kenmerken van de populatie die is onderzocht.