Katatonie kan optreden binnen de context van verschillende stoornissen, waaronder neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, psychotische, bipolaire- en depressieve-stemmingsstoornissen, en somatische aandoeningen (zoals cerebrale foliumzuurdeficiëntie en zeldzame auto-immuunziekten en paraneoplastische stoornissen). In dit handboek wordt katatonie niet als een onafhankelijke klasse behandeld, maar als (a) katatonie bij een andere psychische stoornis (zoals een neurobiologische ontwikkelingsstoornis, een psychotische stoornis, een bipolaire-stemmingsstoornis, een depressieve stoornis, of een andere psychische stoornis), (b) katatone stoornis door een somatische aandoening, en (c) ongespecificeerde katatonie.
Katatonie wordt gedefinieerd door de aanwezigheid van drie of meer van de twaalf psychomotorische kenmerken zoals genoemd in de criteria voor katatonie bij een andere psychische stoornis en katatonie als gevolg van een somatische aandoening. Opvallende psychomotorische symptomen vormen het hoofdkenmerk van katatonie. Daarbij kan de motorische activiteit verminderd zijn, evenals de medewerking aan de anamnese of het lichamelijk onderzoek, of er kan overmatige en eigenaardige motorische activiteit zijn. Het klinische beeld van katatonie kan verwarrend zijn, aangezien de psychomotorische symptomen kunnen variëren van een opvallend gebrek aan responsiviteit tot uitzonderlijke agitatie. De motorische immobiliteit kan ernstig zijn (stupor) of matig (katalepsie en wasachtige buigzaamheid). Ook de verminderde medewerking kan ernstig zijn (mutisme) of matig (negativisme). De overmatige en eigenaardige motorische handelingen kunnen complex zijn (stereotypie bijvoorbeeld) of eenvoudig (agitatie), en kunnen ook bestaan uit echolalie en echopraxie. In extreme gevallen kan het beeld van dezelfde patiënt afwisselend bestaan uit verminderde en overmatige motorische activiteit. De schijnbaar tegengestelde klinische kenmerken, variërende uitingen van de stoornis, en het feit dat er in de opleidingen te veel nadruk wordt gelegd op zeldzame, ernstige verschijnselen zoals wasachtige buigzaamheid, dragen ertoe bij dat katatonie vaak niet wordt herkend en benoemd. Tijdens ernstige fasen van katatonie kan strikt toezicht nodig zijn om te voorkomen dat de betrokkene zichzelf of anderen schade berokkent. Verder moet rekening worden gehouden met het risico op ondervoeding, uitputting, trombo-embolie, decubitus, spiertrekkingen, hyperpyrexie en verwondingen die de betrokkene zichzelf kan toebrengen.