Typische kenmerken van de borderline-persoonlijkheidsstoornis zijn de instabiliteit van het zelfbeeld, van persoonlijke doelstellingen, van interpersoonlijke relaties en van affecten, gepaard gaande met impulsiviteit, risicovol gedrag en/of vijandigheid. Karakteristieke moeilijkheden komen tot uiting in de identiteit, zelfsturing, empathie en/of intimiteit, zoals hierna beschreven, samengaand met specifieke maladaptieve trekken in de domeinen negatieve affectiviteit, antagonisme en/of ongeremdheid.
VOORSTEL VOOR CRITERIA
- Matige of ernstigere beperking in het persoonlijkheidsfunctioneren, zich manifesterend in karakteristieke moeilijkheden op twee of meer van de volgende vier terreinen:
- Identiteit Duidelijk zwak, slecht ontwikkeld of instabiel zelfbeeld, vaak gepaard gaande met excessieve zelfkritiek; chronische gevoelens van leegte; dissociatieve toestanden onder stress.
- Zelfsturing Instabiliteit in doelen, aspiraties, waarden of carrièreplanning.
- Empathie Beperkt vermogen om de gevoelens en behoeften van anderen te herkennen, gepaard gaande met een interpersoonlijke hypersensitiviteit (bijvoorbeeld geneigdheid om zich gekleineerd of gekwetst te voelen); de perceptie dat anderen alleen letten op hun negatieve eigenschappen of kwetsbaarheden.
- Intimiteit Intense, instabiele en conflictueuze hechte relaties, gekenmerkt door wantrouwen, een grote behoefte aan contact, en de angstige preoccupatie met daadwerkelijk of vermeend in de steek te worden gelaten; hechte relaties worden vaak beleefd in extremen van idealiseren en devalueren, en afwisselingen van overbetrokkenheid en zich terugtrekken.
- Vier of meer van de volgende zeven pathologische persoonlijkheidstrekken, waarvan minstens één moet zijn: (5) impulsiviteit, (6) riskant gedrag of (7) vijandigheid:
- Emotionele labiliteit (een facet van negatieve affectiviteit): Instabiele emotionele ervaringen en frequente stemmingsveranderingen; emoties die snel worden opgewekt, intens zijn en/of buiten proportie zijn gezien de gebeurtenissen en omstandigheden.
- Ongerustheid (een facet van negatieve affectiviteit): Intense gevoelens van nervositeit, spanning en paniek in reactie op interpersoonlijke spanningsbronnen; bezorgdheid over de negatieve effecten van onplezierige ervaringen uit het verleden en mogelijke negatieve gebeurtenissen in de toekomst; zich angstig voelen, opzien tegen en zich bedreigd voelen door onzekerheid; vrees om in te storten of de controle te verliezen.
- Separatieangst (een facet van negatieve affectiviteit): De angst om alleen te zijn door afwijzing door en/of scheiding van belangrijke anderen, gebaseerd op een gebrek aan vertrouwen in het vermogen om zowel lichamelijk als emotioneel voor zichzelf te zorgen.
- Depressiviteit (een facet van negatieve affectiviteit): Een frequent optredend gevoel verdrietig, ellendig en/of hopeloos te zijn; moeite met herstellen van dit soort stemmingen; pessimisme over de toekomst; pervasieve schaamtegevoelens; minderwaardigheidsgevoelens; suïcidegedachten en suïcidaal gedrag.
- Impulsiviteit (een facet van ongeremdheid): Handelen in een opwelling als reactie op een onmiddellijke stimulus; plotseling en snel handelen zonder plan of zonder rekening te houden met de gevolgen; moeite met het maken of uitvoeren van plannen; een gevoel van urgentie en zelfbeschadigend gedrag onder emotionele druk.
- Riskant gedrag (een facet van ongeremdheid): Deelname aan gevaarlijke, riskante activiteiten die de betrokkene kunnen schaden en die onnodig zijn, zonder rekening te houden met de gevolgen; geen oog hebben voor de eigen beperkingen, en het ontkennen van reële gevaren voor personen.
- Vijandigheid (een facet van antagonisme): Persisterende of frequent optredende gevoelens van boosheid; ontstemdheid of prikkelbaarheid als reactie op kleine blijken van geringschatting en beledigingen.