Ben er niet helemaal bij

    Daphne Simeon, MD

    Bespreking

    Jan van Veen ervaart een aanhoudende vervreemding van zijn lichaam, zijn geest en zijn emoties en heeft het aanhoudende gevoel ‘geen zelf’ te hebben. Tijdens deze ervaringen blijft zijn realiteitsbesef intact. Uit zijn voor­ge­schie­de­nis blijkt dat geen somatische aandoening of een andere psychiatrische stoornis deze klachten veroorzaakt. De symptomen zijn persisterend en hij ervaart hierdoor significante beperkingen in zijn functioneren. Patiënt voldoet aan de criteria voor de DSM-5-classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis (DDS).

    Hij heeft tweemaal eerder vergelijkbare symptomen gehad, maar deze episoden voldeden waarschijnlijk niet aan de criteria voor de DDS. De eerste episode vond plaats tijdens de basisschool en werd geluxeerd doordat zijn vader hem verliet; de klachten zijn volgens hem maar een paar dagen aanwezig geweest. In de DSM-5 is een minimale duur van de DDS niet vereist, maar de symptomen moeten wel ‘persisterend of recidiverend’ zijn. De uiting tijdens zijn jeugd lijkt meer overeen te komen met de DSM-5-classificatie andere gespecificeerde dissociatieve stoornis (acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen), waarbij sprake is van een acute, voorbijgaande aandoening die meestal minder dan één maand duurt.

    De tweede episode vond plaats in het kader van paniekaanvallen die twee maanden aanhielden en steeds erger werden, nadat zijn moeder in een psychiatrisch ziekenhuis werd opgenomen. Deze symptomen voldeden wel aan de duurcriteria voor een DDS, maar traden alleen op in het kader van een andere psychiatrische conditie (paniek), en verdwenen weer toen die voorbij was. Hoewel de casus onvoldoende klinische informatie geeft om heel specifiek te kunnen zijn, lijkt een van de angst­stoor­nis­sen meer van toepassing op deze tweede episode — de DSM-5-classificatie on­ge­spe­ci­fi­ceer­de angststoornis — en niet zozeer een dissociatieve stoornis.

    De recentste episode is echter een klassieke omschrijving van de DDS; de episode heeft een duur van enkele maanden na het verdwijnen van een kortdurende depressieve episode, gaat niet samen met een andere psychiatrische stoornis, een stoornis in het gebruik van een middel of een somatische aandoening, en er is sprake van intact realiteitsbesef.

    Wat opvalt is dat de symptomen in de tweede episode meer in de richting van derealisatie gaan, terwijl bij de derde episode, die nu onderzocht wordt, meer sprake is van de­per­so­na­li­sa­tie. Op basis van recent onderzoek op dit gebied, zijn in de DSM-5 de symptomen van de­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie in één enkele stoornis gecombineerd, waarbij één van beide symptomen kan optreden, of, wat meestal het geval is, beide.

    Voordat de classificatie kan worden toegekend, dienen andere psychiatrische en somatische oorzaken te worden onderzocht. Aangezien de moeder van Jan van Veen aan schizofrenie lijdt, is de meest voor de hand liggende alternatieve verklaring een psychotische stoornis of een prodroom van schizofrenie. Het lijkt er echter op dat patiënt op sociaal en studiegebied kon blijven functioneren tot de de­per­so­na­li­sa­tie verergerde, en zijn realiteitsbesef bleef ondanks deze symptomen intact; hij voldoet daarom niet aan de criteria voor een actuele psychose. Het is momenteel niet mogelijk om het risico op het toekomstig ontwikkelen van schizofrenie te voorspellen; daarom is een longitudinale observatie en ondersteuning voor patiënt van belang.

    Zoals veel mensen met een DDS, vindt patiënt niet dat hij aan wanen lijdt en is hij ervan overtuigd dat zijn klachten ‘lichamelijk’ van aard zijn. Vanwege deze gedachte laten mensen zich vaak lichamelijk onderzoeken, wat er eerder toe leidt dat de patiënt wordt gerustgesteld dan dat er een somatische oorzaak wordt gevonden. Bij jonge mensen die het kenmerkende klinische beeld vertonen, die geen risicofactoren hebben of bij wie tijdens lichamelijk of neurologisch onderzoek niets wordt gevonden, is de aanwezigheid van een onderliggende somatische of neurologische aandoening zeer on­waar­schijn­lijk. Het lichamelijk onderzoek kan deze mensen meer doen openstaan voor een psychiatrische behandeling, maar anderzijds moet de psychiater wellicht het enthousiasme van andere medici proberen te temperen als zij langdurig of invasief onderzoek willen doen.

    Hoewel alle dissociatieve stoornissen vaak samengaan met psychotrauma’s in de vroege levensfase, is het psychotrauma bij patiënten met een DDS doorgaans minder lichamelijk en seksueel ingrijpend. Patiënt ontkent dat er een specifieke mishandeling heeft plaatsgevonden, maar hij is wel door zijn vader aan de zorg van zijn schizofrene moeder overgelaten. Zelfs zonder dat patiënt zich een specifiek psychotrauma kan herinneren, kan worden aangenomen dat hij een moeilijke jeugd heeft gehad en dat dit heeft bijgedragen aan zijn stoornis.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.