Ongedurig en afgeleid
Robert Haskell, MD; John T. Walkup, MD
Erik, een jongetje van 9 jaar, is op aanbeveling van zijn klassenleerkracht naar een psychiater verwezen omdat hij zijn aandacht niet goed bij de les kan houden. Erik zit in groep 6 van een reguliere basisschool. De leerkracht heeft zijn ouders verteld dat de cijfers van Erik, die aan het begin van het schooljaar nog bij de beste leerlingen van zijn klas had gehoord, in de tweede helft van het schooljaar achteruit zijn gegaan. Als het schoolwerk lastiger wordt, wordt Erik vaak onrustig en afgeleid, en de leerkracht heeft de ouders geadviseerd om een neuropsychiatrisch onderzoek te laten doen.
Thuis is Erik de laatste tijd nogal emotioneel, vertelt moeder: ‘Hij ziet er soms uit alsof hij zo in huilen uit kan barsten; dat ken ik niet van hem.’ Moeder antwoordt ontkennend op de vraag of er thuis moeilijkheden zijn, en ze beschrijft haar man, 8-jarige dochter en zichzelf als een ‘gelukkig gezin’. Wel heeft ze de laatste tijd gemerkt dat Erik niet graag alleen thuis is. Hij is ‘plakkerig’ geworden, loopt zijn ouders vaak achterna door het huis en heeft er een hekel aan om alleen in een kamer te zijn. Ook is hij ermee begonnen om ’s nachts bij zijn ouders in bed te kruipen, iets wat hij als klein jongetje nooit heeft gedaan. Hoewel Erik een paar goede vriendjes heeft, bij hem in de buurt en op school, en het leuk vindt als andere kinderen bij hem komen spelen, weigert hij om uit logeren te gaan.
De moeder van Erik vertelt dat hij de laatste tijd ongeduriger is. Het is haar opgevallen dat hij vaak zijn schouders optrekt, grimassen trekt en met zijn ogen knippert, wat ze heeft opgevat als een teken van angst. Deze bewegingen worden erger als Erik moe of gefrustreerd is, en komen minder vaak voor tijdens rustige, geconcentreerde bezigheden zoals klarinet studeren of huiswerk maken, vooral als zijn moeder hem daarbij helpt.
Verder vertelt zijn moeder dat Erik plotseling ‘bijgelovig’ is geworden. Iedere keer als hij door een deuropening loopt, herhaalt hij dit net zo lang totdat hij beide deurposten tegelijkertijd aanraakt, en wel twee keer heel snel na elkaar. Moeder hoopt dat deze meer in het oog springende gewoonten van Erik in de zomer, tijdens de jaarlijkse vakantie van het gezin, zullen afnemen. Zij vindt dat Erik de juiste leeftijd heeft voor een trip naar Disneyland, maar zijn vader heeft het idee geopperd om met Erik op visvakantie te gaan (‘jongens onder elkaar’), en dat moeder en dochter dan familie in Groningen kunnen gaan bezoeken.
Van zijn vroegste kinderjaren herinnert de moeder van Erik zich dat hij een ‘makkelijk, maar gevoelig kind’ was. Hij was het product van een geplande, probleemloze zwangerschap en had alle ontwikkelingsmijlpalen op tijd gehaald. Hij heeft geen voorgeschiedenis van somatische problemen of recente infecties, maar zijn moeder vertelt dat ze de laatste tijd wel geregeld met hem bij de huisarts is geweest vanwege buikpijnklachten.
Bij onderzoek wordt een tenger gebouwde jongen gezien, met een lichte huid met sproeten en blond haar. Hij is een beetje ongedurig, friemelt aan zijn broek en schuift heen en weer in zijn stoel. Als zijn moeder vertelt over zijn nieuwe bewegingen lijkt dit hem uit te lokken, en het valt de onderzoeker op dat Erik ook af en toe zijn ogen dichtknijpt, met zijn ogen rolt en geluiden maakt alsof hij zijn keel schraapt. Erik vertelt dat hij zich soms zorgen maakt dat er ‘iets ergs’ gaat gebeuren met zijn ouders. Die zorgen zijn echter vaag, en het enige waar hij echt bang voor lijkt, is dat er boeven inbreken in het ouderlijk huis.