Ongedurig en afgeleid

    Robert Haskell, MD; John T. Walkup, MD

    Bespreking

    Erik wordt gezien met afnemende school­pres­ta­ties, die het gezin lijkt toe te schrijven aan een cluster van angstsymptomen die relatief kortgeleden zijn begonnen. Hij voelt zich niet op zijn gemak als hij alleen is en weigert uit logeren te gaan, is bang dat er iets ergs zal gebeuren met zijn ouders en gaat vaak naar de huisarts. Hij lijkt te voldoen aan criteria voor de DSM-5-classificatie se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis, waarvan de symptomen bij kinderen en adolescenten niet langer aanwezig hoeven te zijn dan één maand.

    De moeder van Erik vertelt verder dat hij onrustiger is geworden. Zij ziet een verband tussen het schouders optrekken, grimassen trekken en met de ogen knipperen en het recente ontstaan van separatieangst. Noch de ouders, noch de leerkracht lijken deze bewegingen te herkennen als tics: kortdurende, niet-ritmische bewegingen die plotseling beginnen. Erik lijkt meerdere tics te hebben, waaronder degene die de onderzoeker observeert: sommige daarvan zijn motorisch (ogen knipperen, schouders optrekken), andere vocaal (piepen, grommen, keel schrapen, snuiven, klakken). Tics kunnen eenvoudig zijn, en duren dan slechts enkele milliseconden, of complex, en zijn dan langduriger of bestaan uit een opeenvolging van bewegingen. Hoewel de tics gedurende het beloop van een ticstoornis enorm kunnen variëren, treden ze binnen een bepaalde periode van de aandoening vaak op in een specifiek repertoire.

    De specifieke ticstoornis (indien daarvan sprake is) wordt bepaald door het type en de duur van de bewegingen. Bij de stoornis van Gilles de la Tourette moet er sprake zijn van zowel motorische als vocale tics, terwijl bij de persisterende (chronische) motorische- of vocale-ticstoornis alleen motorische of vocale tics aanwezig zijn. Erik heeft een mengeling van tics, maar die zijn pas zes maanden aanwezig — niet het minimum van een jaar dat is vereist voor de classificatie stoornis van Gilles de la Tourette of persisterende ticstoornis. Daarom krijgt Erik de classificatie voorlopige ticstoornis.

    Tics komen voor bij 15–20% van de kinderen, en 0,6–1,0% zou de stoornis van Gilles de la Tourette ontwikkelen. De tics treden gemiddeld voor het eerst op tussen het vierde en zesde jaar, zijn het ernstigst rond de leeftijd van 10 tot 12 jaar, waarna tijdens de adolescentie de ernst over het algemeen afneemt. Tics die op volwassen leeftijd worden waargenomen, waren zeer waarschijnlijk al op kinderleeftijd aanwezig maar zijn toen kennelijk niet opgemerkt. Tics worden meestal verergerd door angst, opwinding en uitputting, en nemen af tijdens rustige, geconcentreerde activiteiten — reden waarom de visvakantie met zijn vader waarschijnlijk het beste idee is voor de zomervakantie van Erik.

    De onoplettendheid in de klas wordt waarschijnlijk verklaard door angst. Hoewel de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis, met overwegend onoplettend beeld, niet kan worden uitgesloten, lijkt het waarschijnlijk dat de tics en de angst Eriks aandacht van zijn schoolwerk hebben afgeleid, aangezien hij geen voor­ge­schie­de­nis heeft van onoplettendheid of hyperactiviteit op jongere leeftijd. Zijn goede prestaties in de eerste helft van het schooljaar sluiten een leerstoornis uit, zodat er geen indicatie is om hem daarop te laten testen (in de regel dient pas te worden getest nadat bijkomende problemen zoals angst zijn behandeld).

    Wat betreft de obsessieve-compulsieve stoornis, een aandoening die zowel voorkomt met angst als met ticstoornissen: voordat deze classificatie kan worden overwogen, zouden Eriks rituelen in de deuropening lijdensdruk moeten veroorzaken of tot beperkingen in zijn functioneren moeten leiden.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.