Terugkerende depressiviteit
Michael Gitlin, MD
Netty IJzinga, een 33-jarige beursanaliste, gehuwd, moeder van twee kinderen, wordt binnengebracht bij de spoedeisende hulp (SEH) na een periode van tien dagen die door haar echtgenoot wordt omschreven als ‘alweer een depressieve periode’. In zo’n periode wordt ze boos om niets, huilt ze veel en slaapt vrijwel niet. Hij vermeldt dat deze ‘donkere perioden’ al zo lang als hij haar kent optreden, maar dat zij het afgelopen jaar minstens zes van deze episoden heeft gehad. Hij vertelt dat deze doorgaans opklaren als zij weer een paar weken paroxetine heeft gebruikt. Hij voegt toe dat hij zich afvraagt of alcohol in combinatie met clonazepam haar symptomen kunnen verergeren, omdat zij het gebruik van deze middelen altijd flink opschroeft zodra de donkere perioden beginnen.
De partner van patiënte vertelt dat hij had besloten haar naar de SEH te brengen toen hij ontdekte dat ze een blog was begonnen met de titel ‘Netty IJzinga’s beste stock picks’. Zo’n actie is niet alleen ongewoon voor haar, maar aangezien zij beursanaliste is voor een grote investeerder, is ze daarmee ook in ernstige overtreding van de bedrijfsregels. Hij vertelt dat ze voortdurend aan deze stock picks had zitten werken, zonder te eten of aan haar verantwoordelijkheden voor haar werk en de kinderen te denken. Zij had daartegen ingebracht dat het prima ging en dat ze door haar blog zouden ‘zwemmen in het geld’.
Patiënte kreeg voor het eerst de diagnose depressieve stoornis tijdens haar studie, nadat haar vader een eind aan zijn leven had gemaakt. Hij was een heel eigenzinnige zakenman, die zwaar dronk en op wie patiënte dol was geweest. Haar oma van vaderszijde heeft meerdere ‘zenuwinzinkingen’ gehad, maar het is onbekend welke stoornis ze had en welke behandeling zij kreeg. Sinds haar studie is haar stemming over het algemeen ‘down’ met tussendoor terugkerende perioden waarin de somberheid verergert, met slapeloosheid, ongewoon snel praten en hyperalertheid. Af en toe heeft patiënte psychotherapie geprobeerd en ze heeft diverse antidepressiva geslikt, maar volgens haar man is de gewoonlijke depressiviteit gebleven en kreeg ze steeds vaker last van donkere perioden.
Haar ambulante psychiater meldt dat patiënte waarschijnlijk aan dysthymie lijdt en een terugkerende depressieve stoornis heeft. Hij vertelt ook dat hij patiënte nooit zag tijdens de perioden waarin ze opvliegend was en insomnia had — ze weigerde altijd te komen totdat de ‘heel sombere’ perioden opklaarden — en ze had hem ook geen toestemming gegeven om met haar man te praten of met iemand anders die een heteroanamnese kon geven.
Bij onderzoek loopt patiënte boos door de kamer heen en weer. Ze is gekleed in een spijkerbroek en een shirt, dat ze ongeïnteresseerd laat openhangen. Zij kijkt glazig en niet gefocust. Ze reageert op de binnenkomst van de onderzoeker door te gaan zitten en uit te leggen dat het allemaal op een misverstand berust, dat het prima met haar gaat en dat ze ogenblikkelijk naar huis moet om verder te gaan met haar werk. Ze wil niet meewerken aan een cognitief onderzoek omdat ze graag de gelegenheid laat schieten om ‘gedrilde zeehond, proefkonijn, Flipper en een blaffende hond te zijn, dank u zeer en mag ik nu gaan?’ Het realiteitsbesef en het oordeelsvermogen zijn ernstig gestoord. Er zijn geen manifeste hallucinaties, maar wel overwaardige denkbeelden over haar vermogen om te voorspellen wat de aandelenmarkt gaat doen. Ze praat snel en gedreven, en het is erg moeilijk om haar te onderbreken. Ze bevestigt dat ze niet slaapt, maar vindt niet dat dit een probleem is.