Aanpassing geslachtsaanduiding
John W. Barnhill, MD; Friedemann Pfäfflin, MD
Bespreking
Het geval van mevrouw Renooij is een ingewikkeld verhaal dat zowel haar eigen ontwikkeling beschrijft als de ontwikkeling van het begrip genderdysforie in de DSM-5.
Het geboortegeslacht van mevrouw was mannelijk, en ze werd opgevoed als jongen. Als kind werd haar gedrag als ‘meisjesachtig’ beschouwd, en daarom als ‘atypisch voor haar gender’. Als adolescent was ze zich hoogstwaarschijnlijk wel bewust van haar eigen ‘niet-genderconforme’ gedrag — en mocht dit niet het geval zijn dan hebben haar klasgenoten dit haar ongetwijfeld wel duidelijk gemaakt — maar toch bleef ze zichzelf tot haar 19de beschouwen als een biseksuele jongen. Op die leeftijd werd ze zich voor het eerst bewust van het sterke gevoel een vrouw te zijn, al heeft ze er wel vage herinneringen aan dat ze als kind weleens had gewenst dat ze een meisje kon zijn, zodat ze op het schoolplein makkelijker met de meisjes mee kon spelen. Op die leeftijd zou ze als een ‘transgender’ zijn beschouwd, een breed begrip dat verwijst naar een voorbijgaande of persisterende identificatie van zichzelf als anders dan het geboortegeslacht.
Wanneer mevrouw Renooij nu precies besloot dat ze een vrouw was is niet helemaal duidelijk, maar het lijkt erop dat er bij haar sprake was van onvrede die op latere leeftijd begon, dat wil zeggen tijdens de adolescentie of op volwassen leeftijd. Mensen die als jongen zijn geboren en bij wie de genderdysforie al in de kindertijd begint, voelen zich bijna altijd seksueel aangetrokken tot mannen, terwijl mannen met genderdysforie die op latere leeftijd begint zich over het algemeen tot vrouwen aangetrokken voelen. Mevrouw Renooij beschrijft zichzelf als biseksueel, maar het zou nuttig zijn om navraag te doen naar haar fantasieën in plaats van alleen op haar gedrag af te gaan. Dit geldt trouwens meestal als het gaat om het begrijpen van iemands seksuele voorkeur (en seksualiteit in het algemeen), maar zeker voor iemand als mevrouw Renooij, die benadrukt dat haar seksuele keuzes altijd sterk zijn beïnvloed door wie er toevallig interesse toonde in een relatie met iemand met een atypisch gender, en minder door wie zijzelf het aantrekkelijkst vond.
Toen mevrouw Renooij voor het eerst besloot om als vrouw te gaan leven, werd ze waarschijnlijk als ‘transseksueel’ beschouwd, een term die verwijst naar iemand die streeft naar een maatschappelijke transitie van het ene naar het andere gender of deze al heeft ondergaan (in het geval van mevrouw Renooij van man tot vrouw). De genderaanpassing werd gerealiseerd toen zij 24 jaar was. Hoewel ze daarna meer dan vijftien jaar lang vasthield aan een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ — een maatschappelijk, geen fysiologisch begrip — is ze hier blijkbaar nooit echt tevreden mee geweest. Zowel de chirurgische ingrepen als haar sociale leven verliepen niet zoals gehoopt, en de ‘posttransitieperiode’ verliep teleurstellend. De genderdysforie was dan ook niet verdwenen, zo lijkt de conclusie, ook niet toen mevrouw Renooij stopte met het slikken van vrouwelijke hormonen en weer als man ging leven.
Mevrouw Renooij was 24 jaar toen zij voor het eerst een verzoek deed tot genderaanpassing. In die tijd (rond 1986) zou voor haar de DSM-III-classificatie transseksualiteit hebben gegolden. Het grootste deel van de periode waarin zij ontevreden was over haar vrouwelijke genderidentiteit zou hiervoor de DSM-IV-classificatie genderidentiteitsstoornis van toepassing zijn geweest. Volgens de DSM-5-criteria zou de passende classificatie genderdysforie luiden, en die term benadrukt dat niet het atypische gender de stoornis bepaalt, maar meer het lijden van mevrouw Renooij onder haar situatie. Die situatie wordt nog gecompliceerder door haar pogingen om veranderingen terug te draaien, om maar een bevredigend compromis te bereiken. Toch geeft mevrouw nog steeds blijk van onvrede over haar huidige secundaire geslachtskenmerken (mannelijk) en van een sterk verlangen naar de secundaire kenmerken van het andere gender.